[pic] Algemeen werkplan 2008 12 November 2007 Landelijk Platform GGz Postbus 13223 3507 LE Utrecht Inhoudsopgave 1 Inleiding 02 2 Programma 'Lokale Versterking GGz' 03 2.1 Doelstellingen 03 2.2 Werkwijze & organisatie 04 2.3 Samenwerking 06 3 Regionale activiteiten 08 3.1 Regionale initiatiefgroepen 08 3.2 Participatie familie- en categorale cliëntenorganisaties 09 3.3 Participatie dak- en thuislozen 10 3.4 Participatie cliëntenraden GGz 11 3.5 Cliënt- of zelfgestuurde projecten en voorzieningen 12 3.6 Borging 13 4 Landelijk servicecentrum 14 4.1 Facilitaire dienstverlening 14 4.2 Communicatie & PR 15 4.3 Training & opleidingen 15 4.4 Organisatie bovenregionale bijeenkomsten 16 4.5 Verbreding resultaten initiatiefgroepen 17 5 Personeel en financiën 19 5.1 Personeel 19 5.2 Financiën 21 Bijlagen Lijst van afkortingen 22 Overzicht regionale initiatiefgroepen 23 Samenstelling begeleidingscommissie 25 Begroting 2008 26 1 Inleiding Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)in werking getreden. Deze wet brengt belangrijke veranderingen voor patiënten, GGz- cliënten, familieleden en naastbetrokkenen met zich mee. Sinds 2005 heeft het ministerie van VWS daarom contact met Zorgbelang Nederland en het Landelijk Platform GGz (LPGGz) over hun rol bij de ondersteuning van de participatie van deze groepen. Omdat zowel de betrokken organisaties als het ministerie van VWS van mening waren dat de cliëntenparticipatie op lokaal niveau nog niet in heel Nederland goed georganiseerd was, stelde het ministerie medio 2006 in totaal 15 miljoen euro beschikbaar om in de periode 2006 tot en met 2008 de lokale cliëntenparticipatie te versterken. Van de beschikbare middelen was de helft bestemd voor de facilitering van regionale Zorgbelang-organisaties (voorheen RPCP's) op het gebied van de Wmo, en de andere helft op de totstandbrenging van een lokale infrastructuur voor de behartiging van GGz-belangen. Het Fonds Patiënten-, Gehandicapten- en Ouderenorganisaties (PGO) werd verzocht deze subsidiemiddelen te verdelen en de activiteiten verder te begeleiden en te monitoren. Inmiddels is meer dan de helft van de genoemde projectperiode verstreken en hebben wij binnen ons programma 'Lokale versterking GGz' veel activiteiten in gang gezet. Vanaf medio 2007 is het programma in een nieuwe fase terecht komen. Het zwaartepunt van de activiteiten verschuift gaandeweg van opbouw en het leggen van fundamenten naar het ontplooien van gerichte initiatieven en het behalen van concrete resultaten. Dit gebeurt in de ene regio eerder dan in de andere. Soms wordt het tempo bepaalt door interne ontwikkelingen binnen een initiatiefgroep. In andere regio's heeft dit maken met externe omstandigheden, zoals de lokale bestuurlijke organisatie en de kwaliteit van de samenwerking met andere belangengroepen. Voor u ligt het algemeen werkplan 2008 van het programma 'Lokale Versterking GGz' van het Landelijk Platform GGz. In dit werkplan gaan wij in op alle activiteiten binnen het programma die niet in de activiteitenplannen van de regionale initiatiefgroepen zijn opgenomen. Deze regionale activiteitenplannen zijn u separaat aangeboden. Na deze inleiding behandelen wij in § 2 eerst een aantal algemene zaken binnen het programma (doelstellingen, werkwijze & organisatie, samenwerking)). Vervolgens bespreken wij de regionale activiteiten (§ 3) en de activiteiten van het Landelijk servicecentrum (§ 4). Tenslotte gaan wij op het personeel en de financiën (§ 5). Aan het werkplan hebben wij een aantal bijlagen toegevoegd, waaronder een gedetailleerde begroting. 2 Programma Lokale Versterking GGz In dit hoofdstuk gaan wij onder andere in op de doelstellingen van het programma, op de werkwijze & organisatie en op de samenwerkingsrelaties van het programma. 2.1 Doelstellingen Het programma ''Lokale Versterking GGz'' kent sinds haar start drie doelstellingen: A Meer en beter . Verbreden van het draagvlak door meer (vertegenwoordigers van) mensen uit de doelgroep te betrekken bij de uitvoering van de Wmo en de totstandkoming van Wmo-voorzieningen. Per regio worden initiatiefgroepen opgericht die streven naar een samenstelling in de volle breedte van de doelgroep, dus ook van verslaafden, dak- en thuislozen, ook van categorale cliënten- en familieorganisaties voor bijvoorbeeld autisme, ADHD, manisch-depressieven, schizofrenie en anderen. o 100% van de doelgroep neemt eind 2008 op de een of andere wijze deel aan een regionale initiatiefgroep en participeert op die wijze in de Wmo. . Deelnemers aan deze lokale cliëntenparticipatie beter toerusten om (politieke) invloed uit te oefenen op de ontwikkeling, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijke ondersteuningsbeleid. o 100% van de personen die namens de doelgroep participeert in een gemeentelijke Wmo-adviesraad, heeft eind 2008 deelgenomen aan een opleiding of training tot verbetering van de participatie; o 60% van de leden van de regionale initiatiefgroepen (die feitelijk als 'achterban' functioneren van de hiervoor bedoelde participanten) heeft een opleiding gevolgd gericht op de toename van kennis over de Wmo. B Solidariteit en samenwerking Actief de samenwerking zoeken en aangaan met bestaande lokale en regionale cliënten- en gehandicaptenorganisaties. Participatie kan niet en lukt niet in afzondering, als anderen of andere groepen worden buitengesloten. Solidair zijn met elkaar en elkaars eigenaardigheden, wensen en belangen kennen, is de basis voor een voor iedereen toegankelijke samenleving. o In 100% van de regio's is eind 2008 de regionale initiatiefgroep onderdeel geworden van een zorgbelangorganisatie of een RCO of er is zicht op een actieve samenwerking met een van deze partijen. C Verbetering beeldvorming Gemeenteraadsleden, wethouders, ambtenaren en organisaties die een rol hebben in de uitvoering van de Wmo informatie en kennis aanleveren waardoor zij een meer evenwichtig, realistisch beeld krijgen over burgers met (ernstige) psychische handicaps die in hun gemeente wonen, leven en (willen) participeren. De specifieke problematiek en obstakels, waartegen zij in het leven aanlopen, vereist dat mensen uit de doelgroep zélf vertellen en in beeld brengen welke beperkingen zij ondervinden als ze mee willen doen aan de lokale samenleving. o Deze doelstelling is tot op heden niet gekwantificeerd. Dat is ook niet eenvoudig. De verscheidenheid in de wijze waarop informatie en kennis wordt aangeleverd aan het gemeentelijk apparaat is enorm. Wij gaan er in ieder geval vanuit dat 100% van de regionale initiatiefgroepen beelvormingsactiviteiten ontplooien en hiervoor een substantieel deel van hun budget aanwenden (minimaal 1/3 van het activiteitenbudget). 2.2 Werkwijze & organisatie Werkwijze Om de hiervoor genoemde doelstellingen te realiseren werkt het programma 'Lokale Versterking GGz' met regionale initiatiefgroepen. De door ons gehanteerde regio-indeling is gebaseerd op de indeling van de bestaande gezondheidszorgregio's, rekening houdend met regio's waarbinnen GGz- cliënten en hun naastbetrokkenen zich historisch hebben georganiseerd. Daarbij houden wij tevens voor ogen dat in de loop van de tijd de regio's zullen kunnen groeien naar een voor de Wmo logische indeling, waarbij gemeenten wellicht andere criteria hanteren dan cliëntenorganisaties. In de praktijk betekent dit dat initiatiefgroepen in de toekomst kunnen worden opgesplitst of samengevoegd. Uiteindelijk zullen de regionale initiatiefgroepen moeten worden ingebed in de regionale structuur van cliëntenorganisaties en Wmo-participatie. Inmiddels trachten wij per gemeente ook breed samengestelde klankbordgroepen te vormen voor een gerichte lokale invulling. Vanaf de zomer van 2006 zijn wij gestart met de oprichting van regionale initiatiefgroepen. Nu het programma ruim 1,5 jaar loopt, zijn 35 initiatiefgroepen in het land volop bezig met het organiseren van gerichte activiteiten.[1] Deze gerichte activiteiten zijn gebaseerd op de drie doelstellingen van het programma. De regionale initiatiefgroepen zijn zo breed mogelijk samengesteld. Zo veel mogelijk afgevaardigden van de bij het LPGGz aangesloten lidorganisaties nemen deel. Een aantal regionale projectleiders staat de regionale initiatiefgroepen en hun projectmedewerkers sinds medio 2006 bij in het opzetten van goede regionale plannen en het adviseren bij het uitvoeren van die plannen. Ons doel hierbij is om zo optimaal mogelijke voorwaarden te scheppen voor het behalen van resultaten door de regionale initiatiefgroepen. Taken van de regionale projectleiders zijn onder andere: . uitwisseling van kennis en informatie tussen de regio's; . coaching van de ondersteuners (projectmedewerkers) van de regionale initiatiefgroepen; . conflicthantering en bemiddeling binnen regionale initiatiefgroepen; . het organiseren en begeleiden van intervisie voor de ondersteuners van de regionale initiatiefgroepen; . kwartiermaken in zogenaamde witte vlekken gebieden (regio's waar de initiatiefgroep nog niet of onvoldoende tot stand is gekomen); . extra impuls geven aan de Wmo-participatie in kleinere (plattelands-) gemeenten; . het pro-actief voorkomen van terugval in de regio. Elke regionale projectleider heeft een aantal regio's toegewezen gekregen en voert de genoemde taken uit voor die regio's. Organisatie Het programma 'Lokale Versterking GGz' wordt uitgevoerd door het LPGGz en heeft een sterk bottom-up karakter. De landelijke sturing richtte zich in eerste instantie vooral op het tot stand brengen van deze decentrale aanpak. Wel werd onderlinge bovenregionale coördinatie georganiseerd om een uitwisseling van aanpak en ervaringen te stimuleren. Ter ondersteuning van de regionale initiatiefgroepen hebben wij in het voorjaar van 2007 een landelijk servicecentrum opgericht. Dit centrum zorgt er voor dat de regionale activiteiten doelgericht en effectief kunnen worden uitgevoerd. De medewerkers van het servicecentrum werken met en voor de regionale initiatiefgroepen. Het Landelijk servicecentrum heeft in principe de volgende functies c.q. ontplooit de volgende activiteiten: . Facilitaire dienstverlening; . Communicatie & PR; . Training en opleiding; . Organisatie bovenregionale bijeenkomsten. De programmamanager is eindverantwoordelijk voor de realisatie van de programmadoelen, de sturing op hoofdlijnen van het programma en het programmabudget. Hij behandelt zelf vooral de (beleids)inhoudelijke en meer strategische zaken. Het baseert zich op de drie hoofddoelstellingen van het programma en de daarop gebaseerde werkplannen. De programmamanager vertegenwoordigt het programma extern, zoals naar VWS, VNG en landelijke zusterorganisaties, in samenspraak met de directeur LPGGz en het bestuur. Hij legt verantwoording af aan de directie LPGGz en op haar verzoek ook aan het bestuur. Hij wordt geadviseerd door een begeleidingscommissie. De regionale projectleiders en de coördinator van het Landelijk Servicecentrum hebben een gedelegeerde budgetverantwoordelijkheid op basis van een concrete begroting en sturen 'hun medewerkers' in de regio aan. De projectmedewerkers in de regio hebben dus primair te maken met hun eigen projectleider. Monitoring Inhoudelijk wordt het programma gemonitord door per kwartaal de regionale initiatiefgroepen te bevragen over de voortgang in de activiteiten. De initiatiefgroepen zullen kwantitatieve gegevens aanleveren die verwerkt worden in een database. Deze vormt samen met de rapportages van de regionale projectleiders de basis voor een per kwartaal op te stellen voortgangsverslag. Na bespreking in de begeleidingscommissie worden deze rapportages aangeboden aan het Fonds PGO. In 2008 zullen wij in deze rapportages extra aandacht besteden aan implementatie en borging. Financieel hanteert het programma dezelfde planning & controlcyclus als het LPGGz. Dit houdt in dat per kwartaal zicht is op een eventuele onderuitputting. Deze informatie wordt ook per kwartaal door de directie in het bestuur van het LPGGz besproken. De administratie en de controlfunctie worden verzorgd door het ondersteuningsbureau van de NPCF. Begeleidingscommissie Bij het begin van het programma toen er bij het LPGGz nog geen bureaustructuur aanwezig was, gaf een stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de lidorganisaties van het LPGGz sturing aan het programma 'Lokale Versterking GGz'. Eind 2006 is deze stuurgroep omgevormd tot een begeleidingscommissie. De taak van de begeleidingscommissie is het begeleiden van het programma in de breedste zin van het woord. Zij heeft een zwaarwegende adviesbevoegdheid richting het programmamanagement, en richting het bestuur en directeur van het LPGGz. Eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het programma 'Lokale Versterking GGz' is het bestuur van het LPGGz. [2] 2.3 Samenwerking Landelijk Op landelijk niveau hebben wij samenwerkingsrelaties met het Fonds PGO, het ministerie van VWS, het IPO, de VNG, Zorgbelang Nederland, de CG-raad en enkele andere organisaties die direct dan wel indirect bij de uitvoering van het programma betrokken zijn. Door de programmamanager wordt geparticipeerd in de klankbordgroep Wmo van het ministerie van VWS en de begeleidingscommissie Wmo van het Fonds PGO. Naar verwachting zal in 2008 de samenwerking met een aantal landelijke partijen verder geïntensiveerd worden in verband met de borging van de resultaten na 2008. Andere Wmo-programma's Het programma 'Lokale Versterking GGz' speelt zich niet af in een vacuüm. Interactie en samenwerking met andere landelijke, provinciale en ook lokale (ondersteunende) organisaties is een belangrijke randvoorwaarde. Structureel vindt er afstemming en overleg plaats met directies van cliëntorganisaties, zoals de CG-raad, LOC, LPR en ouderenbonden. Zij worden regelmatig geïnformeerd over de voortgang van het programma.Daarnaast is er een periodiek overleg met het management van andere stimuleringsprogramma's die zich richten op de ondersteuning van de lokale belangenbehartiging, namelijk het programma Lokaal Centraal, het VCP-programma en het programma Lokaal in de steigers. Wij streven naar intensivering van deze samenwerking. In 2008 zullen wij ons in het overleg met zusterprogramma's inzetten voor onder meer: . gezamenlijke presentaties op congressen en bijeenkomsten; . ontwikkeling en implementatie van een zelfevaluatie-instrument cliëntenparticipatie (met het programma Lokaal Centraal); . samenwerking op het gebied van scholing en training; . instrumentontwikkeling, in het bijzonder ten aanzien van de signalering van knelpunten bij de uitvoering van de Wmo; . onderzoek naar de (on) mogelijkheden van een gezamenlijk kennis c.q. expertisecentrum Wmo vanuit cliëntenperspectief. Regionaal Op regionaal niveau hebben onze regionale initiatiefgroepen ook tal van samenwerkingsrelaties. Belangrijkste partijen zijn tot nu toe de (provinciale) Zorgbelang-organisaties en de Regionale Cliëntenorganisaties GGz (RCO). De meeste regionale initiatiefgroepen hebben de samenwerking met de Zorgbelang-organisaties concreet ingevuld. Hoewel de samenwerkingsvormen verschillen van regio tot regio, weet men elkaar over het algemeen goed te vinden. Dit is belangrijk omdat de Zorgbelangorganisaties, via hun eigen Programma 'Lokaal Centraal', een belangrijke taak hebben in het ondersteunen, coördineren en versterken van de Wmo-cliëntenparticipatie van álle Wmo-gebruikersgroepen, met inbegrip van onze doelgroepen. Een behoorlijk aantal medewerkers van het Programma 'Lokale Versterking GGz' heeft een werkplek bij een Zorgbelangorganisatie of is door een Zorgbelangorganisatie bij ons gedetacheerd. Uitwisseling en afstemming met (medewerkers van) Zorgbelang, en de organisaties die de achterban vormen van Zorgbelang, komen daardoor gemakkelijker tot stand. Ook helpt de fysieke aanwezigheid van initiatiefgroepen en hun medewerker(s) in het gebouw van de Zorgbelangorganisatie soms de kloof te overbruggen die geregeld door mensen uit onze doelgroep wordt ervaren in hun contacten met medewerkers van Zorgbelang. In veel regio's is ook een RCO actief. Sommige bestaan al meer dan twintig jaar, andere kennen een jongere geschiedenis. Een RCO is in iedere regio weer anders georganiseerd en ingevuld. Een overeenkomstig kenmerk van RCO's is dat zij, in het algemeen geformuleerd, in hun regio opkomen voor de belangen van mensen met psychische, psychosociale, psychiatrische en/of verslavingsproblemen op alle denkbare maatschappelijke terreinen. Dus niet alleen op het gebied van zorg, maar ook maatschappelijke ondersteuning, vrije tijd, wonen, sociale contacten, (vrijwilligers-)werk, inkomen en reïntegratie, onderwijs en dagbesteding. Een aantal RCO's ziet zichzelf als de bundeling van regionaal opererende (afdelingen van landelijke) cliëntenorganisaties en in een enkel geval ook familieorganisaties. Zij vormen een platform waar iedereen uit de doelgroep aan mee kan doen en welkom is en presenteren zich als dé belangenbehartiger van onze doelgroep in de regio. De stimuleringsprogramma's in de periode 1999-2004 hebben er toe bijgedragen dat RCO's zich steeds beter, breder, professioneler en versterkt hebben kunnen organiseren. De meeste regionale initiatiefgroepen hebben ook de samenwerking met RCO's concreet ingevuld. De samenwerking verschilt van regio tot regio, maar weet men elkaar over het algemeen goed te vinden. Een behoorlijk aantal medewerkers van het programma 'Lokale Versterking GGz' heeft een werkplek bij een RCO of een andere cliëntgestuurde organisatie of is door een RCO bij ons gedetacheerd. Ook met regionale vertegenwoordigers van landelijke organisaties als de LPR, Cliëntenbond, Pandora, Labyrint/In Perspectief, Ypsilon, Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa, Angst-, Dwang- en Fobie (ADF-)stichting, NVA, Balans, Stichting Borderline, VMDB, Anoiksis en Stichting Weerklank zoeken de regionale initiatiefgroepen samenwerking. Dat is echter niet altijd eenvoudig. Regionale contactpersonen en/of contactgroepen fungeren primair als informatie- en aanspreekpunt voor leden en belangstellenden in de regio. Soms doen ze mee aan (de activiteiten van) een RCO, maar vaak ook niet. Het contact met lotgenoten is voor de regionale afdelingen van landelijke organisaties vaak de belangrijkste activiteit. Vaak hebben ze ook goede, waardevolle relaties met psychiaters, therapeuten en andere hulp- en dienstverleners die gespecialiseerd zijn in de behandeling of begeleiding (bijv. in het onderwijs) van de mensen voor wiens belangen zij opkomen. Om de vertegenwoordiging van categorale cliëntenorganisaties en familieorganisaties op regionaal en lokaal niveau te versterken onder andere via participatie in de regionale initiatiefgroepen hebben wij speciaal een medewerker aangesteld die de samenwerking en verbreding van de initiatiefgroepen met (vertegenwoordigers van) familieorganisaties gaat bevorderen (zie ook paragraaf 3.2.). 3 Regionale activiteiten In dit hoofdstuk gaan wij nader in op de regionale activiteiten van het programma. Hierbij gaat het vooral om een aantal activiteiten die het werk van de regionale initiatiefgroepen inhoudelijk en rechtstreeks ondersteunen. De primaire regionale activiteiten zijn immers opgenomen in de activiteitenplannen van de regionale initiatiefgroepen zelf. De hierna besproken activiteiten worden vanuit het programma gecoördineerd omdat het inefficiënt zou zijn om het op een andere manier te organiseren. 3.1 Regionale initiatiefgroepen Per 1 november 2007 functioneren er 35 regionale initiatiefgroepen. Zij hebben in principe een grote vrijheid in het initiëren en uitvoeren van activiteiten en projecten, echter altijd binnen de drie doelstellingen van het programma. De regionale initiatiefgroepen worden ondersteund door een projectmedewerker en eventueel een secretarieel medewerker. Daarnaast levert sinds april 2007 het Landelijk servicecentrum gespecialiseerde ondersteuning aan de regio's. Vanaf maart 2007 is er een actief beleid gevoerd om de initiatiefgroepen te integreren in bestaande provinciale of regionale platforms en/of basisberaden. Dit voorkomt versnippering en bevordert de borging na afloop van het programma in 2009. De verbreding wordt gevonden door het betrekken van ervaringsdeskundigen uit categorale belangenorganisaties (autisme, ADHD, familieorganisaties, LVT en allochtonenbewegingen). Cliënten en betrokkenen proberen 'op maat' van hun regio of gemeente de Wmo gevoeliger te maken voor mensen met een psychiatrische of verslavingsachtergrond. De kans dat het maatschappelijke ondersteuningsbeleid van een gemeente in voldoende mate overeenstemt met de wensen, behoeften en voorkeuren van de burgers die er in hun dagelijks leven op zijn aangewezen, is daardoor toegenomen. Zeker als gemeenten GGz- cliënten een stevige adviesrol geven in iedere fase van het Wmo- besluitvormingsproces, zowel bij het ontwikkelen en vaststellen, als bij het uitvoeren en evalueren. Activiteitenplannen 2008 Uit de separaat ingediende regionale plannen blijkt dat er nog altijd behoorlijke verschillen tussen de regio's bestaan. Regio's die aantoonbaar verder zijn dan anderen kenmerken zich veelal door een vroege en succesvolle start van activiteiten in 2006 en een stabiele ondersteuning door een projectmedewerker. Opvallend is dat de omvang van het uitgegeven bedrag voor activiteiten geen kritische succesfactor is. Vaak worden met beperkte financiële middelen, maar met veel persoonlijke (en vrijwillige) inzet goede resultaten gehaald. Regio's die minder resultaat hebben geboekt zijn vaak later in 2006 of pas in 2007 gestart en hebben te maken gehad met personeelswisselingen en/of interne conflicten. In hun activiteitenplannen 2008 hebben alle regionale initiatiefgroepen hun activiteiten voor het komend jaar geformuleerd. Uit deze plannen wordt niet alleen duidelijk in welke fase de verschillende groepen zich bevinden, maar ook dat met de uitvoering van de geplande activiteiten de komende tijd daadwerkelijke resultaten verwacht mogen worden. Voor een deel komen de geplande activiteiten van de initiatiefgroepen overeen. Zo gaan zij allen zonder uitzondering door met het verbreden van het draagvlak door niet alleen leden te werven voor de initiatiefgroepen, maar ook voor klankbordgroepen of andere vormen van inspraak. Ook blijven zij zich sterk maken voor de Wmo-participatie. Groepen die daar vanwege opstartproblemen slechts op beperkte schaal mee konden beginnen, stellen in hun plannen voor 2008 concrete doelstellingen. Daar waar al een Wmo-raad of equivalent is opgezet, streven alle initiatiefgroepen naar een adequate vertegenwoordiging. Ook scholing & training staat bij alle initiatiefgroepen op de agenda. Daarbij gaat het meestal om deskundigheidsbevordering van de eigen actieve leden, met name van die leden die ook zitting nemen in een Wmo-raad. In sommige gevallen gaat het om training van ervaringsdeskundigen in het voorlichten van ambtenaren. De meeste initiatiefgroepen richten zich ook op samenwerking met cliëntenorganisaties uit de regio. Ze ontplooien activiteiten samen met deze organisaties of vervullen in breder verband een aanjaagfunctie om gevestigde organisaties te stimuleren tot het tot stand brengen van voorzieningen. In een aantal regio's worden in de plannen al concrete voorstellen gedaan voor borging van de participatie na 2008. Voor 1 april zal het programmamanagement een notitie opstellen gericht op de structurele implementatie en borging van de programmaresultaten in de regio. Zie hiervoor ook paragraaf 3.6. Beeldvormende activiteiten staan tenslotte bij alle initiatiefgroepen in het activiteitenplan. Deze variëren van kaartenacties, tot het ontwikkelen van een DVD en van een rondleiding voor beleidsambtenaren door een GGz-instelling tot ludieke acties waarbij publiek, ervaringsdeskundigen en beleidsmakers met elkaar in contact treden. 3.2 Participatie familie- en categorale cliëntenorganisaties Een van de doelstellingen van het programma is om zo veel mogelijk (vertegenwoordigers van) mensen uit de doelgroep te betrekken bij de uitvoering van de Wmo en de totstandkoming van Wmo-voorzieningen (Doelstelling 'Meer en beter'). Wij streven naar een samenstelling van regionale initiatiefgroepen in de volle breedte van de doelgroep, dus ook van verslaafden, dak- en thuislozen, ook van categorale cliënten- en familieorganisaties voor bijvoorbeeld autisme, ADHD, manisch-depressieven, schizofrenie en anderen. Najaar 2007 blijken weliswaar alle doelgroepen vertegenwoordigd in initiatiefgroepen, maar heeft nog lang niet iedere initiatiefgroep een vertegenwoordiger uit alle doelgroepen. Cliëntenorganisaties GGz (89% van de initiatiefgroepen) en cliëntenraden GGz (82%) zijn goed vertegenwoordigd. De vertegenwoordiging vanuit de verslaafdenzorg in initiatiefgroepen is minder (60% cliëntenorganisaties en 42% cliëntenraden). Hier zal extra geworven moeten worden. Met name daklozen/MO (57%), familieorganisaties (53%) en mantelzorgorganisaties (40%) vergen extra aandacht. Voor de cliëntenorganisaties geldt dat zij hun gezamenlijke deelname aan de initiatiefgroepen hoog is (89%), maar dat hierbij niet uitgesplitst is naar de afzonderlijke cliëntenorganisaties. Een hoge deelname vanuit één organisatie zal daarbij dus verbloemen dat andere organisaties slecht vertegenwoordigd zijn. Speciaal om de participatie van categorale cliëntenorganisaties, familieorganisaties en organisaties van naastbetrokkenen op regionaal niveau te versterken is er sinds kort een medewerker actief die dit proces actief ondersteunt. Dit vergt veel extra inzet omdat deze organisaties zelf veelal geen regionale structuur kennen en er in overleg met de landelijke organisaties actief geworven dient te worden. Via landelijke organisaties vindt een actieve benadering plaats van leden die worden opgeroepen lokaal actief te worden, bijvoorbeeld binnen de RCO's en/of de regionale initiatiefgroepen. Hetzelfde geldt voor categorale cliëntenorganisaties die nog slecht vertegenwoordigd zijn in initiatiefgroepen. Gezien de belasting van leden van familieorganisaties en kleinere categorale cliëntenorganisaties is een zorgvuldige benadering van geïnteresseerden belangrijk. Onder andere via werkbezoeken, themabijeenkomsten en het verspreiden van informatie wordt gepoogd de participatie van vertegenwoordigers van familie- en mantelzorgorganisaties bij de Wmo op regionaal en lokaal niveau verder te stimuleren en te vergroten. Verder wordt beoogd de kennis over beleidsdoelen voor de specifieke doelgroepen bij de regionale initiatiefgroepen te vergroten. Elke familie- en mantelzorgorganisatie en elke categorale cliëntenorganisatie heeft doelen die via de Wmo in een gemeente bereikt moeten worden, bijvoorbeeld het realiseren van Autisme Info Centra, speciale woonvoorzieningen, arbeidsvoorzieningen, sportactiviteiten enz. Het is de verantwoordelijkheid van de organisaties om deze wensen te formuleren en onderbouwen. De regie om de wensen bij de gemeenten voor het voetlicht te brengen ligt bij de regionale initiatiefgroepen, de presentatie moet echter van de familie- en cliëntenorganisatie zelf komen, anders gaat er teveel van de inhoud verloren. Ieder bestuur van een organisatie draagt er dan ook zorg voor dat er een overzicht is van de eigen wensen. Beoogde resultaten o Eind 2008 heeft 90% van de regionale initiatiefgroepen een structureel contact met categorale cliëntenorganisaties én familie- én mantelzorgorganisaties gericht op beleidsbeïnvloeding van het lokale bestuur. Daar waar mogelijk participeren regionale vertegenwoordigers van deze organisaties in de regionale initiatiefgroepen. Indien dit vanwege beperkte menskracht niet lukt, zijn door 90 % van de regionale initiatiefgroepen afspraken gemaakt over de wijze waarop zij in hun activiteiten aandacht besteden aan de (belangen van) deze organisaties. 3.3 Participatie dak- en thuislozen, verslaafden Een andere prioriteit betreft de vertegenwoordiging van cliënten uit de verslavingszorg en de maatschappelijke opvang van dak- en thuislozen. De organisatiegraad van deze cliënten is laag. Een impuls, zowel landelijk als regionaal gericht, kan de betrokkenheid vergroten, en kan een basis leggen voor de betrokkenheid onder bijvoorbeeld sociale pensions en onder verslaafden in de regio. Het doel daarbij is het stimuleren en vergroten van de participatie van vertegenwoordigers vanuit de Maatschappelijke Opvang en Verslavingszorg bij de Wmo op regionaal en lokaal niveau. In 2007 is o.a. voorlichting gegeven op de bovenregionale bijeenkomsten en nadien is er een klankbordgroep voor deze doelgroep opgericht. Samen met de Landelijke Vereniging Thuislozen en de Federatie Opvang is er een start gemaakt met het project 'Lokale participatie van cliënten uit de opvang en de verslavingszorg'. Verder is er voorlichting gegeven aan personen die namens de doelgroep participeren in een gemeentelijke Wmo-adviesraad door overleg over invoering van het Stedelijk Kompas. Ter ondersteuning van de activiteiten is er tenslotte in het najaar van 2007 een klankbordgroep opgericht. Deze is nog in ontwikkeling. Gezien het grote enthousiasme van de deelnemers zal er in de toekomst in subgroepen of op thema's gewerkt gaan worden. Aanmeldingen voor de klankbordgroep zijn ontvangen van cliënten(organisaties) GGz (4), cliënten(organisaties) verslavingszorg (4), dak- en thuislozen/maatschappelijke opvang (8), familie-organisaties ggz-vz- mo (AA en LSOVD), Stichting Goud, Leger des Heils en Thuisloze burgers Begin 2008 zal de conferentie "Niemand hoort de straat. De cliënt aan het woord" georganiseerd worden. Verder zullen wij de regionale initiatiefgroepen ten dienste zijn om voorlichting en informatie te geven over de doelgroep MO/VO/VZ. Dit kan mondeling, schriftelijk en op locatie. Het betreft o.a. voorlichting over omgang of onderhandeling met beleidsambtenaren/lokale politici/vertegenwoordigers in Wmo-gremia etc. Ter ondersteuning van de regionale initiatiefgroepen zullen wij een meeleesgroep Stedelijk Kompas oprichten. Deze groep zal een leeswijzer voor Stedelijk Kompassen in relatie tot het gemeentelijk Wmo-beleid opstellen en op verzoek Stedelijk Kompassen die door regionale initiatiefgroepen voorgelegd worden, beoordelen en becommentariëren. Achtergrond- of verdiepingsinformatie zal gepubliceerd worden op onze website en in een nieuwsbrief van de klankbordgroep MO/VO/VZ. Beoogde resultaten o Eind 2008 participeert tenminste één representant vanuit de doelgroep in 90% van de regionale initiatiefgroepen; o 80 tot 100% van de doelgroep MO/VO/VZ is eind 2008 geïnformeerd over inspanningen van de landelijke klankbordgroep en lokale initiatieven; o 100% van de personen die namens de doelgroep participeert in een gemeentelijke Wmo-adviesraad is eind 2008 geïnformeerd en ondersteund door de meeleesgroep Stedelijk Kompas en in staat dit te vertalen naar concrete resultaten voor de regio'; o In de 43 centrumgemeenten is een Stedelijk Kompas ingevoerd met daarin duidelijke standpuntbepalingen van de regionale initiatiefgroepen 3.4 Participatie cliëntenraden GGz Cliëntenraden zijn van oudsher sterk vertegenwoordigd in participatieactiviteiten. De inbreng van cliëntenraden op gemeentelijk niveau wordt steeds belangrijker door de verschuiving van een deel van de financiering van de GGz-instellingen van de landelijke AWBZ via regiokantoren naar de gemeentelijke Wmo. Ook de invoering van DBC's, dat vaak tot het afstoten van cliëntgerelateerde activiteiten leidt, speelt hierbij een rol. Deelname van cliëntenraden aan de regionale initiatiefgroepen is dus van eminent belang. Inmiddels is er een sterke deelname vanuit cliëntenraden aan de initiatiefgroepen gerealiseerd. In 82% van de initiatiefgroepen is minimaal één cliëntenraad vertegenwoordigd. Het ontwikkelen van eigen beleid op het terrein van Wmo-voorzieningen per doelgroep is geen taak van het programma 'Lokale Versterking GGz'. Het is de verantwoordelijkheid van de cliëntenraden om te formuleren en onderbouwen welke mogelijkheden de Wmo voor GGz-cliënten biedt. De regie om deze wensen bij de gemeenten voor het voetlicht te brengen ligt bij de regionale initiatiefgroepen, de presentatie moet echter van de cliëntenraden zelf komen, anders gaat er teveel van de inhoud verloren. Hoewel de deelname van cliëntenraden aan initiatiefgroepen groot is, missen nog enkele initiatiefgroepen een vertegenwoordiger van een cliëntenraad, waardoor een informatiegat kan ontstaan in de initiatiefgroepen en de gemeentelijke cliëntenparticipatie rond Wmo-beleid versnipperd wordt of niet plaatsvindt vanuit cliëntenraden. Alle initiatiefgroepen en klankbordgroepen moeten door cliëntenraden worden gevoed met informatie over mogelijkheden die de Wmo biedt voor cliënten. Een medewerker van het programma onderzoekt momenteel de redenen waarom niet alle initiatiefgroepen een vertegenwoordiger vanuit een cliëntenraad hebben. In samenwerking met de LPR vindt voorlichting plaats onder cliëntenraden over het Programma 'Lokale Versterking GGz' en specifieke resultaten die cliëntenraadsleden hierbinnen boeken. Cliëntenraden en de LPR worden uitgenodigd om voorstellen voor lokaal beleid te doen richting initiatiefgroepen. Beoogde resultaten o In 90% van de initiatiefgroepen is minimaal één cliëntenraad vertegenwoordigd. Cliëntenraden zijn op de hoogte van de mogelijkheden die de Wmo biedt en de actuele onderwerpen binnen het lokale Wmo-beleid. 5. Cliënt- of zelfgestuurde projecten en voorzieningen Voor veel burgers met een psychische handicap die langdurig op professionele zorg en ondersteuning zijn aangewezen is de stap om deel te nemen aan algemene, reguliere maatschappelijke voorzieningen groot. De werkwijze en filosofie van cliëntgestuurde projecten sluit goed aan bij het gedachtegoed achter de Wmo. De Wmo wil de maatschappelijke inbreng, participatie en verantwoordelijkheid van burgers, ook die met psychische en psychosociale problemen of beperkingen, bevorderen. Die is in alle cliëntgestuurde projecten en organisaties maximaal gerealiseerd omdat zij volledig vraaggericht en vraaggestuurd werken. De Wmo beoogt de emancipatie en participatie van burgers met beperkingen te bevorderen en schept ruimte en mogelijkheden voor burgers om hierin zelf, met passende ondersteuning, de verantwoordelijkheid te nemen. Cliëntgestuurde projecten doen dit al. Zij gaan immers uit van de eigen kracht en kennis van de deelnemers en bieden burgers met psychische handicaps dankzij onderlinge steun optimale mogelijkheden om de regie over hun eigen leven te (her)nemen. De belangrijkste financieringsbron van cliëntgestuurde voorzieningen was tot voor kort de AWBZ-subsidieregeling Zorgvernieuwingsprojecten GGz (ZVP). De ZVP-middelen (6,5 miljoen euro!) zijn per 1 januari 2007 overgeheveld naar de Wmo. Onvoldoende bekendheid bij de gemeenten omtrent de geschiedenis van de besteding van deze middelen zorgt ervoor dat het voortbestaan van deze projecten sterk onder druk is komen te staan. De huidige cliëntgestuurde projecten kunnen een voorbeeldfunctie vervullen voor de wijze waarop de prestatievelden vijf en zes van de Wmo door de gemeenten kan worden vormgegeven. Gemeenten die nog geen of slechts mondjesmaat geschikte participatie- en steunvoorzieningen hebben ontwikkeld voor burgers met psychische handicaps, kunnen gebruik maken van de expertise van bestaande initiatieven elders. Inmiddels is een start gemaakt met een productenboek, beschikbaar via internet, waarin per regio omschreven staat welke voorzieningen er zijn en welke voorzieningen de regionale initiatiefgroepen wensen. Door het hiervoor benodigde onderzoek krijgen regionale initiatiefgroepen meer inzicht in de mogelijkheden en onmogelijkheden van cliëntgestuurde voorzieningen, de organisatievorm en de financieringswijze. Ons doel is dat vertegenwoordigers in Wmo-adviesraden in staat zijn om te controleren waar de gelden voor cliënt- of zelfgestuurde projecten naar toe gaan, zodat ze binnen de Wmo adviesraden een vinger aan de pols kunnen houden. In samenwerking met Lfos, de vereniging van cliëntgestuurde projecten van mensen met psychische en psychosociale problemen, schrijft een medewerker van het Landelijk servicecentrum een handleiding voor regionale initiatiefgroepen om in de beleidsplannen van gemeenten na te kunnen gaan of er gelden beschikbaar worden gesteld en waar de gelden voor cliënt- of zelfgestuurde projecten en voorzieningen naar toe gaan. De medewerker adviseert initiatiefgroepen desgevraagd over de wijze waarop zij deze voorzieningen kunnen initiëren en stimuleren zonder dat de regionale initiatiefgroepen de daadwerkelijke uitvoering op zich nemen. Beoogde resultaten o Begin 2008 is een digitaal productenboek beschikbaar, opdat de regionale initiatiefgroepen eenvoudig hun regio kunnen vergelijken met andere regio's en informatie op kunnen vragen. Als een initiatiefgroep nieuwe ontwikkelingen meldt, kunnen deze eenvoudig worden toegevoegd zodat het productenboek up to date gehouden kan worden; o Vertegenwoordigers in Wmo-adviesraden kennen de mogelijkheden om in de gemeentelijke beleidsplannen de mogelijkheden voor cliëntgestuurde voorzieningen te zien en deze eventueel te vergroten. 3.6 Borging In het najaar van 2007 en het voorjaar van 2008 zullen wij in het programma ruime aandacht worden besteed aan de borging van de resultaten na 2008 en de daartoe te kiezen samenwerkingspartners. Wij werken nu reeds al samen met het programma 'Lokaal Centraal' van Zorgbelang Nederland voor wat betreft de opzet van een coördinatiepunt voor opleidingen en trainingen en het ontwikkelen van een systeem voor het evalueren en monitoren van de resultaten van de Wmo-participatie in de regio. Daarnaast wordt in veel regio's samengewerkt met diverse RCO's. In de praktijk zijn er qua borging drie mogelijkheden. De resultaten kunnen worden ondergebracht bij: . Zorgbelangorganisaties; . Regionale Cliëntenorganisaties; . een combinatie van beide. De definitieve borging van programmaresultaten vergt een zorgvuldig proces dat recht doet aan de specifieke regionale situaties en de belangen van de achterban van het LPGGz. Beoogde resultaten o Voor 1 april 2008 stellen wij een voorstel op met betrekking tot de structurele implementatie en borging van de programmaresultaten in de regio. Na bespreking binnen het LPGGz kan vervolgens de landelijk vastgestelde aanpak worden vertaald in een 'borgingsplan' per regio. 4 Landelijk servicecentrum Het Landelijk servicecentrum heeft tot doel de regionale initiatiefgroepen randvoorwaardelijk te ondersteunen en bevordert hiermee de realisatie van de drie doelstellingen van het programma 'Lokale Versterking GGz'. De medewerkers van het servicecentrum werken met en voor de regionale initiatiefgroepen en functioneren als een ondersteuning van de basis van het programma. De coördinator servicecentrum legt over het werk verantwoording af aan de programmamanager. Voor de inhoud van de activiteiten van het servicecentrum vindt in overleg met de programmamanager zonodig afstemming plaats met de begeleidingscommissie. In de volgende paragrafen zijn de activiteiten van het servicecentrum weergegeven. 4.1 Facilitaire dienstverlening Het servicecentrum faciliteert het werk van initiatiefgroepen door zorg te dragen voor het werkgeversschap van projectmedewerkers in de regio. Hierbij behoren allerlei financieel-gerelateerde werkzaamheden en randvoorwaardelijke ondersteuning. De administratie en controlfunctie worden uitgevoerd door het bedrijfsbureau van de NPCF. Deze randvoorwaardelijke taken zorgen voor een ontlasting van de initiatiefgroepen op administratief gebied, waardoor deze zich meer kunnen richten op inhoudelijke activiteiten. Daarbij valt onder andere te denken aan de uitvoering van de volgende activiteiten en regelingen: . Opstellen van contracten en overeenkomsten; . Opzet en beheer personeelsarchief; . Uitvoering vakantie- en verlofregeling; . Uitvoering regeling thuiswerken; . Uitvoering voorschot- en declaratieregeling; . Uitvoering vrijwilligersregeling; . Uitvoering regeling woon-werkverkeer; . Uitvoering werkwijze ziektemelding, inzet Arbodienst. Binnen het servicecentrum zijn de afgelopen periode veel activiteiten verricht gericht op het wegwerken van administratieve achterstanden. Veel zaken waren tot op heden niet of onvoldoende geformaliseerd. Zo ontbraken er arbeidscontracten, overeenkomsten met organisaties waarbij wij personeel gedetacheerd hebben, etc. Dit leidde de afgelopen maanden tot veel ruis en een stroom aan onnodige (vaak negatieve) communicatie. Medio oktober hebben wij bijna alles op orde; een compleet personeelsarchief, een compleet archief detacheringsovereenkomsten, een declaratieregeling, een voorschotregeling, etc. Hierdoor kon ook het daadwerkelijke inzicht in de financiële stand van zaken sterk verbeterd worden. Het resultaat van deze acties is dat het servicecentrum zich de komende maanden verder op andere vormen van ondersteuning van de regionale initiatiefgroepen kan richten. Naast het de taken voortvloeiende uit het werkgeverschap, beheert het servicecentrum alle voorlichtingsmaterialen, maakt geregeld een knipselkrant en verzorgt het administratieve en organisatorische werkzaamheden voor bovenregionale activiteiten, waaronder de halfjaarlijkse bijeenkomsten. Tenslotte zal het servicecentrum vanaf 2008 ook de administratieve verwerking van kwartaalrapportage van het programma verzorgen. Hiertoe is een nieuw verantwoordingsformulier ontworpen. Gegevens worden opgeslagen in een database die naar verwachting eind dit jaar operationeel zal zijn. De coördinator van het Landelijk Servicecentrum coördineert alle ondersteunende en praktische zaken van het programma binnen het Landelijk Servicecentrum. Beoogde resultaten o Adequate vervulling van het werkgeverschap (incl. vrijwilligers); o Verantwoord inzicht in financiële stand van zaken (Marap per kwartaal); o Beheer en goede toegankelijkheid voorlichtingsmaterialen; o Organisatie bovenregionale bijeenkomsten en activiteiten; o Inhoudelijke kwartaalrapportages inzake voortgang programma. 4.2 Communicatie & PR Alle regionale initiatiefgroepen kunnen voor beeldvormingstaken en publiciteit rond activiteiten een beroep doen op ondersteuning door een communicatiemedewerker vanuit het Landelijk servicecentrum. Het servicecentrum verzorgt een actuele en informatieve website, inclusief een gescheiden deel waarop medewerkers en initiatiefgroepsleden aanvullende informatie kunnen lezen. Verder worden door initiatiefgroepen gemaakte informatiefolders en een landelijke nieuwsbrief verspreid. Het imago van het programma 'Lokale Versterking GGz' is de afgelopen periode bij sommige samenwerkingspartners enigszins negatief ingekleurd door formele en informele berichten over de turbulente opstartperiode van het programma. De positieve resultaten die door de regionale initiatiefgroepen inmiddels gerealiseerd worden, krijgen hierdoor vaak (te) weinig aandacht. Deze resultaten verdienen echter een grotere plaats in de berichtgeving naar externe partijen. In 2008 zullen wij de onderlinge communicatie tussen regionale initiatiefgroepen verder stimuleren via intranet, nieuwsbrieven, de website, het organiseren van bijeenkomsten en een database 'goede voorbeelden'. Daarnaast zullen wij communiceren met en resultaten uitdragen naar de leden van het Landelijk Platform GGZ, de zusterprogramma's (VCP, Lokaal in de steigers, Lokaal centraal), het ministerie van VWS, de VNG het IPO en niet in het laatste plaats naar gemeenten en (andere) lokale en regionale partners. Beoogde resultaten . Permanente adviesfunctie voor de regionale initiatiefgroepen en de projectmedewerkers; . Sturing op de productie van alle folders, brochures, flyers, posters, etc; . Goed functionerende en actuele website www.lokaleversterking.nl; . Verbetering imago programma 'Lokale Versterking GGz' en positieve berichtgeving over resultaten van de regionale initiatiefgroepen en over GGz-cliënten. 4.3 Trainingen & opleidingen Om de medewerkers en vrijwilligers voor te bereiden op hun taak worden zij geschoold en getraind op het gebied van participatie en belangenbehartiging. Dit gebeurt via het uitwisselen van ervaringen en kennis binnen het programma, intervisie en cursussen op maat. Voor trainingen op maat wordt samengewerkt met het programma 'VCP', het programma 'Lokaal Centraal' van Zorgbelang Nederland, Odyssee en het Trimbos Instituut. In diverse regio's hebben in 2007 trainingen op maat plaatsgevonden waardoor leden van de initiatiefgroepen en deelnemers aan de Wmo- participatie in gemeenten beter toegerust zijn voor hun werk. Door aanvullende trainingen en uitbreiding naar andere regio's kunnen zowel deze als andere vrijwilligers hun inbreng in zowel de initiatiefgroep als in Wmo- raden nog versterken. De taak van het Landelijk servicecentrum is hierbij vooral advisering en bemiddeling. Alle trainingen worden uitbesteed c.q. ingekocht. Het Landelijk servicecentrum geeft advies bij het formuleren van de opleidingsdoelen, de soort training en houdt een overzicht bij van het aanbod dat relevant is voor het programma 'Lokale versterking GGz'. Leden van regionale initiatiefgroepen kunnen deelnemen aan scholing als dit in hun eigen plannen opgenomen is. Het Landelijk servicecentrum werkt aan een actueel overzicht van cursussen en trainingen en ondersteunt Initiatiefgroepen eventueel bij het beoordelen en aanmelden. Bij de advisering door het servicecentrum wordt specifiek gekeken naar de verankering van specieke kennis rondom GGz cliënten en GGz problematiek in de training. Het betreft in principe de volgende trainingen cq. opleidingen: . scholen van de leden van de initiatiefgroepen op kennis van de Wmo en Wmo verbonden thema's, zo nodig andere basale kennis over het werkterrein; . het leren beoordelen van de gemeentelijke beleidsnota's; . onderhandelingsvaardigheden en belangenbehartiging; . provinciale bijeenkomsten voor GGz-belangenbehartigers in Wmo-adviesraden voor onderlinge afstemming en uitwisseling van informatie, knelpunten en ervaringen. Daarnaast zal via het programma ook aandacht worden besteed aan kennisoverdracht van ervaringsdeskundigen naar wethouders, gemeenteraadsleden en beleidsambtenaren Wmo. Hiervoor zullen de volgende trainingen worden aangeboden; . ervaringsdeskundigen trainen in het geven van voorlichting aan de genoemde groepen; . ervaringsdeskundigen trainen in het helpen van lotgenoten in een back office van een gemeentelijke Wmo-loket. Intervisie en scholing vinden plaats tussen initiatiefgroepsleden die namens één bepaalde categorie cliënten of naastbetrokkenen in de initiatiefgroepen zitten of gespecialiseerd zijn in een bepaald onderwerp dat in meerdere regio's terugkomt. Deze intervisie vindt plaats tijdens themagericht bijeenkomsten die worden georganiseerd door het servicebureau met medewerking van in- en externe deskundigen en waar mogelijk in samenwerking met andere organisaties die zich met hetzelfde onderwerp bezighouden. Projectmedewerkers spelen in veel regio's een cruciale rol in de uitvoering van de activiteiten van de initiatiefgroep. Door het trainen van projectmedewerkers op specifieke onderwerpen, kunnen deze de leden van de initiatiefgroepen gerichter begeleiden, waardoor de vrijwilligers tijdens hun werkzaamheden praktijkgerichte scholing ontvangen. De initiatiefgroepen kunnen op deze manier een kwaliteitsslag maken zonder dat het de vrijwilligers extra inzet kost. Om dit te realiseren zullen wij studiebijeenkomsten organiseren voor projectmedewerkers rond bepaalde thema's. Hierbij staan kennisuitwisseling, het delen van ervaringen en intervisie centraal. Beoogde resultaten o Vrijwilligers zijn goed toegerust voor belangenbehartiging in hun eigen regio. Men beschikt over meer kennis omtrent de Wmo, onderhandelingsvaardigheden, zelfbewustzijn, onderlinge contacten en beleidsanalytisch vermogen; o In elke regio zijn opgeleide ervaringsdeskundigen om voorlichting te geven vanuit het GGz-cliëntenperspectief; o Projectmedewerkers zijn optimaal in staat hun regionale initiatiefgroep te ondersteunen. 4.4 Organisatie bovenregionale bijeenkomsten Ons programma is juni 2006 begonnen met vier bovenregionale startconferenties. Tijdens deze startconferenties zijn 33 regionale initiatiefgroepen gevormd. In januari en juni 2007 zijn opnieuw vier bovenregionale conferenties gehouden om elkaar op de hoogte te brengen van behaalde resultaten en om inhoudelijke kennis te verspreiden. De regio-indeling blijft bij deze bijeenkomsten steeds hetzelfde zodat initiatiefgroepsleden uit verschillende regio's elkaar kennen en er een vertrouwde sfeer ontstaat waarbinnen zowel successen als leerervaringen overgedragen kunnen worden. De bovenregionale conferenties hebben een belangrijke ontmoetingsfunctie binnen het programma. Het doel is enerzijds kennisvermeerdering bij de deelnemers, anderzijds kennis en ervaring zo breed mogelijk te verspreiden onder de deelnemers en succesvolle activiteiten door te geven naar andere regio's. Er worden in 2008 twee keer vier bovenregionale bijeenkomsten georganiseerd met workshops, informatie en presentaties over de bereikte resultaten op de drie doelen door leden van regionale Initiatiefgroepen. Er wordt samengewerkt met het Landelijk Platform GGz en haar lidorganisaties, verschillende organisaties van cliënten en naastbetrokkenen in de GGz. Beoogde resultaten . Onderlinge uitwisseling van succes- en faalfactoren; . Aanwezigen raken op de hoogte van de bereikte resultaten op de drie doelen in de andere regio's; . Goede resultaten worden overgenomen door andere regio's. 4.5 Verbreding resultaten initiatiefgroepen Wij stimuleren regionale Initiatiefgroepen om gebruik te maken van het werk van andere initiatiefgroepen. We gebruiken hiervoor diverse methodes, zoals de bovenregionale bijeenkomsten, de website en het intranet en een nieuwsbrief. Het doel hiervan is het verspreiden van positieve resultaten en leerervaringen, zodat deze door andere regio's overgenomen kunnen worden. Uit de regionale activiteitenplannen 2008 is af te lezen dat deze methode werkt. Diverse initiatiefgroepen nemen acitiviteiten over die eerder in andere regio's met succes zijn uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de 'mystery guest', waarbij anonieme personen van de regionale initiatiefgroep Drenthe in een onderzoek alle twaalf Drentse gemeenten bezochten om de kwaliteit van het Wmo-loket te onderzoeken. Deze zeer geslaagde activiteit staat nu bij een aanzienlijk aantal regio's in het activiteitenplan voor 2008. Zij kunnen daarbij gebruik maken van de ervaringen uit Drenthe. De werkwijze van deze activiteit staat tussen vele andere beschreven op intranet zodat andere initiatiefgroepen er hun voordeel mee kunnen doen. Het overnemen van activiteiten is in de praktijk echter niet zo simpel als het lijkt. Elke regio heeft zijn eigen kenmerken en er zal altijd een vertaalslag gemaakt moeten worden. Voor de initiatiefgroepen die een activiteit als eerste hebben uitgevoerd is het moeilijk om te bepalen welke leerervaringen bruikbaar zijn voor anderen. Voor initiatiefgroepen die een activiteit over willen nemen is het moeilijk om de bruikbare informatie te gebruiken zonder overspoeld te raken door niet ter zake doende regionale informatie. Een medewerker van het landelijk servicecentrum zal daarom bij activiteiten die overgenomen worden door andere regio's het beschikbare materiaal beoordelen en de gegevens ordenen zodat deze direct toepasbaar zijn voor andere regio's. Via korte draaiboeken wordt de overdracht van de opgedane ervaringen en expertise verbeterd. Wij zullen ook analyseren welke nieuwe activiteiten door meerdere regio's geïnitieerd worden. De onderlinge uitwisseling van ervaringen tussen initiatiefgroepen wordt hierbij extra gestimuleerd. Bovendien bekijkt het servicecentrum in deze gevallen of het mogelijk is de activiteiten te bundelen en met meerdere regio's gezamenlijk de activiteit op te zetten. Een andere vorm van verbreding van resultaten vindt plaats door de activiteiten te bezien in het geheel van belangenbehartiging. Initiatiefgroepen hebben soms weinig zicht op de mogelijkheden om de belangenbehartiging aan kracht te laten winnen door hiervoor diverse middelen in te zetten. Naast de Wmo-vergadertafel en rechtstreekse gesprekken met wethouders en beleidsambtenaren kunnen initiatiefgroepen ook informele vormen van belangenbehartiging doelbewust gebruiken. Op verzoek van de regio's zal het servicecentrum samen met initiatiefgroepen analyseren hoe de geplande activiteiten doorwerken in de belangenbehartiging en hen leren om een regelmatige afweging te maken van de in te zetten mogelijkheden als zij een doel willen bereiken. Dit inzicht in de informele vormen van belangenbehartiging zal ook versterkt worden door het aanbieden van een workshop. Door de krachten te bundelen wordt ook inhoudelijk de positie van initiatiefgroepen versterkt. Het servicecentrum zal daarom in 2008 twee keer een themaweek aanbieden, waarbinnen alle aandacht gericht zal zijn op hetzelfde thema. Initiatiefgroepen kunnen hiervan gebruik maken door de vrijkomende informatie te gebruiken bij hun eigen belangenbehartigings- en beeldvormingsactiviteiten. Ze kunnen zelf activiteiten ontplooiien die aansluiten bij het thema, waarbij ze vanuit het servicecentrum informatie aangereikt krijgen om op een snelle en doeltreffende wijze een activiteit te organiseren. Vanuit het servicecentrum wordt in deze themaweken landelijke publiciteit gezocht rond het betreffende thema. Resultaten o inzicht in de mate waarin de uitgewisselde ervaringen/goede voorbeelden daadwerkelijk overgenomen worden door andere regio's; o voorkomen van dubbel werk in regio's door opgedane ervaringen op een direct toepasbare wijze te presenteren en voortgangsbegeleiding bij activiteiten die in meerdere regio's tegelijkertijd plaatsvinden; o meer en doelgerichter contact tussen regionale initiatiefgroepen; o meer kennis over en versterking van informele belangenbehartiging bij de leden van de regionale initiatiefgroepen o twee themaweken met aansprekende activiteiten in meerdere regio's en landelijke publiciteit. 5 Personeel en financiën In dit hoofdstuk gaan wij op de personele inzet voor het programma en de benodigde financiële middelen. 5.1 Personeel In onderstaande tabellen geven wij aan welk formatie wij in 2008 zullen inzetten om de doelstellingen van het programma te realiseren. Programmamanagement |Naam |Functie |Formatie| |Rob de Graaf |Programmamanager |0,40 | |Mathilde Maring |Programmasecretaresse |0,44 | |Totaal | |0,84 | Landelijk servicecentrum |Naam |Functie |Formatie| |Trudy Jansen |Coördinator servicecentrum |0,67 | |Mathilde Maring |Programmasecretaresse |0,45 | |Irma Lit |Communicatiemedewerker |0,55 | |Petra Noordhuis |Communicatiemedewerker |0,42 | |Gea de Jong |Communicatiemedewerker, website |0,78 | |Marjolein van |Medewerker training & opleidingen, |1,00 | |Berkum |cliëntgestuurde voorzieningen en | | | |verbreding resultaten | | |Leonie Zwaartman |Medewerker ICT-ondersteuning |0,33 | |Annemarie van |Medewerker bovenreg. bijeenk., verz. |0,56 | |Harten |& beheer resultaatsgegevens, | | | |verbreding resultaten | | |Totaal | |4,76 | Inhoudelijke ondersteuning regio |Naam |Functie |Formatie| |Mieke Biemond |Regionale projectleider Oost |0,33 | |Annemarie van |Regionale projectleider West, |0,33 | |Harten |participatie cliëntenraden | | |Alfred Kooistra |Regionale projectleider Noord |0,60 | |Rik Post |Regionale projectleider West en grote|1,00 | | |steden, | | | |participatie dak- en thuislozen, Vz, | | | |MO, VO | | |Sonja |Regionale projectleider Zuid |0,50 | |Visser-Huisman | | | |Aart Jongejan |Medewerker participatie dak- en |0,67 | | |thuislozen, Vz, MO, VO | | |Jenny de Jeu |Medewerker participatie dak- en |0,44 | | |thuislozen, Vz, MO, VO | | |Annitha Nijhoff |Medewerker participatie categorale |1,00 | | |cliënten- en familieorganisaties, | | | |plattelandsgemeenten | | |Totaal | |4,87 | Projectmedewerkers regio |Naam |Functie |Formatie| |G. Baerveldt |Projectmedewerker Amsterdam | 0,78 | |H. T. Bemelaar |Projectmedewerker Oost Veluwe | 0,67 | |J. Benner |Projectmedewerker Oost-Gelderland | 0,33 | | |(inhuur) | | |G. Bergeijk |Projectmedewerker Zuid-Holland Noord | 0,56 | |A. Bos |Projectmedewerker Noord-Holland Noord| 0,22 | | | | | | |(inhuur) | | |G.J. Bomer |Projectmedewerker Noord Oost Brabant | 0,33 | |E.M.M. van der |Projectmedewerker Den Haag e.o. | 0,72 | |Brandt-Smit | | | |L. Docter |Projectmedewerker Ijssel Vecht | 0,67 | |A. Groeneveld |Secretariaatsmedewerker Friesland | 0,44 | |L. Groningen |Projectmedewerker Noord West Veluwe | 0,67 | | |(gedetacheerd) | | |H. |Projectmedewerker Friesland | 0,67 | |Haringsma-Blaauw | | | |M.J.E. Heijnen |Projectmedewerker Midden West Utrecht| 0,78 | |P. Hofhuizen |Projectmedewerker Gooi- en | 0,22 | | |Vechtstreek | | |H. Holtrust |Projectmedewerker Drenthe | 0,33 | |M. de Jager |Projectmedewerker Midden Holland | 0,44 | |E.M.P. Jansen |Projectmedewerker Noord en Midden | 0,39 | | |Limburg | | |M.J. Kleine |Projectmedewerker Drenthe | 0,33 | |H. Kleijwegt |Projectmedewerker Zuid-Hollandse | 0,89 | | |Eilanden | | |H. Knippels |Projectmedewerker Zuid Oost Brabant | 0,89 | | |Projectmedewerker Noord en Midden | | | |Limburg | | |S. ter Koele |Projectmedewerker Twente | 0,22 | | |(inhuur) | | |G.J. Kohler |Projectmedewerker Noord Oost Brabant | 0,78 | | |Projectmedewerker Rivierenland | | |E. van Leeuwen |Projectmedewerker Noord-Holland Noord| 0,22 | | | | | | |(inhuur) | | |I. Lips |Projectmedewerker Delft Westland | 0,33 | | |Oostland (gedetacheerd) | | |J.B.A. Moelands |Projectmedewerker Oost Utrecht | 0,44 | |J. Molenaar |Secretariaatsmedewerker Groningen | 0,44 | |K. Mooij |Projectmedewerker Zaanstreek | 0,20 | | |Waterland | | |E. van Otterloo |Projectmedewerker Noord Oost | 0,78 | | |Flevoland | | |H.W.F. Reinhardt |Projectmedewerker Drechtsteden e.o. | 0,67 | |E.M.L. Rogge |Projectmedewerker Twente | 0,72 | |M. Smit |Projectmedewerker West Brabant | 0,44 | | |(gedetacheerd) | | |R.J. Suidgeest |Secretariaatsmedewerker Ijssel Vecht | 0,50 | |G. Teune-Huizinga |Projectmedewerker Groningen | 0,89 | |M. van der Tier |Projectmedewerker Zuid-Limburg | 0,94 | |S. Verbeek |Projectmedewerker Noord-Holland Noord| 0,22 | | | | | | |(inhuur) | | |M. Viets |Projectmedewerker Arnhem | 0,75 | | |Veluwe-vallei | | |R. Voncken |Projectmedewerker Zuid Oost Brabant | 0,33 | | |(gedetacheerd) | | |C. Wagenaar |Projectmedewerker Midden Brabant | 0,83 | |J.M. Willems |Projectmedewerker Gooi- en | 0,22 | | |Vechtstreek | | |E. Willemsen- de |Projectmedewerker West Friesland | 0,67 | |Boevere |Projectmedewerker Zaanstreek | | | |Waterland | | |M. van der Zwet |Projectmedewerker Zuid Gelderland | 0,33 | |Vacature |Projectmedewerker KAM | 0,67 | |Vacature |Projectmedewerker Zeeland | 0,67 | | |(gedetacheerd) | | | | | | |Totaal | |22,59 | 5.2 Financiën Voor het programma 'Lokale Versterking GGz' is voor de jaren 2006 t/m 2008 jaarlijks 2,5 miljoen euro beschikbaar. Het in principe beschikbare budget voor een regionale initiatiefgroep wordt bepaald door het aantal inwoners in de desbetreffende regio en het aantal gemeenten. Een bedrag van E 0,09 per inwoners is daarbij indicatief. In 2006 was sprake van een aanzienlijke onderuitputting (E 1.796.820). Voor 2007 lijkt dit op dit moment niet het geval. De prognose ultimo september laat slechts een geringe onderuitputting zien. In 2008 overschrijden wij het subsidiebedrag van 2,5 miljoen euro naar verwachting met E 696.907,-. Dit 'tekort' dekken wij graag uit de onderuitputtings- middelen 2006. Onze begroting is als bijlage 4 bij dit algemeen werkplan bijgevoegd. De komende tijd willen wij samen met het Fonds PGO beoordelen of, en zo ja, in hoeverre het wenselijk c.q. mogelijk is om binnen het bestaande financieringskader, het programma te laten uitlopen in 2009. Hiervoor kunnen de resterende onderuitputtingsmiddelen van 2006 en eventueel 2007 worden ingezet. Argumenten daarbij zijn: . Een langere werkperiode biedt betere slagingskansen met betrekking tot beeldvorming, empowerment en belangenbehartiging. De trage start kan dan bovendien goed gemaakt worden; . Een overgang van een verbrokkelde cliënten- en familiebeweging naar integratie en samenwerking vergt een lange doorlooptijd; . Het ontvankelijk maken van gemeenten voor de inbreng van de GGz-cliënten is weerbarstig. Dit vergt veel tijd; . Een adequate borging van programmaresultaten en een goede regionale samenwerking is niet eenvoudig te realiseren. Extra tijd biedt meer ruimte voor een zorgvuldig proces. Bijlage 1 LIJST VAN AFKORTINGEN CG-raad Chronisch zieken en Gehandicaptenraad GGz Geestelijke Gezondheidszorg IPO Inter-Provinciaal Overleg LPGGz Vereniging Landelijk Platform GGz LPR Landelijke Patiënten- en bewonersraden in de GGZ LVT Landelijke Vereniging van Thuislozen NPCF Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie NVA Nederlandse Vereniging voor Autisme OGGz Openbare Geestelijke Gezondheidszorg PGB Persoonsgebonden budget PGO Patiënten-, Gehandicapten- en Ouderenorganisaties PR Public Relations RCO Regionale Cliëntenorganisatie RPCP Regionale Patiënten- ConsumentenPlatform VCP Versterking Cliëntenpositie VMDB Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning Bijlage 2 OVERZICHT REGIONALE INITIATIEFGROEPEN | |Regionale initiatiefgroepen |Medewerkers |Formatie|Activiteit| | | | | |en | | | | | | | | |Groningen | | | | |01|Regionale initiatiefgroep |G.Teune-Huizin| 0,89 |29.000 | | |West Noord & Centraal |ga |0,44 | | | |Groningen |J. Molenaar | | | |02|Regionale initiatiefgroep | | | | | |Oost Groningen | | | | | | | | | | | |Friesland | | | | |03|Regionale initiatiefgroep |H. |0,67 |24.000 | | |Friesland |Haringsma-Blaa|0,44 | | | | |uw | | | | | |A. Groeneveld | | | | |Drenthe | | | | |04|Regionale initiatiefgroep |H. Holtrust |0,33 |24.220 | | |Drenthe |M.J. Kleijne |0,33 | | | | | | | | | |Overijssel | | | | |05|Regionale initiatiefgroep |L. Docter |0,67 |20.250 | | |IJssel / Vecht |R.J. Suidgeest|0,50 | | |06|Regionale initiatiefgroep |E.M.L. Rogge |0,72 |31.250 | | |Twente |S. ter Koele |0,22 | | | | | | | | | |Flevoland | | | | |07|Regionale initiatiefgroep |E. van | 0,78 |18.530 | | |Flevoland |Otterloo | | | | | | | | | | |Gelderland | | | | |08|Regionale initiatiefgroep |L. van | 0,67 |13.480 | | |Noordwest-Veluwe |Groningen | | | |09|Regionale initiatiefgroep |H.T. Bemelaar | 0,67 |18.840 | | |Oost-Veluwe | | | | |10|Regionale initiatiefgroep |M. Viets | 0,75 |27.500 | | |Arnhem Veluwevallei | | | | |11|Regionale initiatiefgroep |J. Benner | 0,33 |15.000 | | |Oost Gelderland | | | | |12|Regionale initiatiefgroep |M. van der | 0,33 |15.780 | | |Zuid-Gelderland |Zwet | | | |13|Regionale initiatiefgroep |G.J. Kohler | 0,34 |10.000 | | |Rivierenland | | | | | | | | | | | |Utrecht | | | | |14|Regionale initiatiefgroep |M.J.E. Heijnen| 0,78 |37.500 | | |Middenwestelijk Utrecht | | | | |15|Regionale initiatiefgroep |J.B.A. | 0,44 |20.180 | | |Utrecht Oost |Moelands | | | | | | | | | | |Noord-Holland | | | | |16|Regionale initiatiefgroep |A. Bos | 0,22 |20.000 | | |Noord-Holland Noord |E. van Leeuwen|0,22 | | | | | |0,22 | | | | |S. Verbeek | | | |17|Regionale initiatiefgroep |E. Willemsen | 0,44 |10.000 | | |West-Friesland |de Boevere | | | |18|Regionale initiatiefgroep |E. Willemsen |0,23 |15.750 | | |Zaanstreek en Waterland |de Boevere |0,20 | | | | |K. Mooij | | | |19|Regionale initiatiefgroep |G. Baerveldt | 0,78 |37.970 | | |Amsterdam | | | | |20|Regionale initiatiefgroep |Vacature | 0,67 |32.000 | | |Kennemerland, Amstelland, | | | | | |Meerlanden (KAM) | | | | |21|Regionale initiatiefgroep |J.M. Willems |0,22 |12.500 | | |Gooi en Vechtstreek |P. Hofhuizen |0,22 | | | | | | | | | |Zuid-Holland | | | | |22|Regionale initiatiefgroep |G. Bergeijk | 0,56 |24.500 | | |Zuid-Holland Noord | | | | |23|Regionale initiatiefgroep |M. de Jager | 0,44 |12.000 | | |Midden Holland | | | | |24|Regionale initiatiefgroep Den|E.M.M. van der| 0,72 |39.920 | | |Haag e.o. |Brandt-Smit | | | |25|Regionale Initiatiefgroep |I. Lips | 0,33 |15.000 | | |Delft Westland Oostland | | | | |26|Regionale initiatiefgroep |Basisberaad |- |48.000 | | |Rijnmond | | | | |27|Regionale initiatiefgroep |H. Kleijwegt | 0,89 |Zie 26 | | |Zuid-Hollandse Eilanden | | | | |28|Regionale initiatiefgroep |Basisberaad | - |Zie 26 | | |Nieuwe Waterweg Noord | | | | |29|Regionale initiatiefgroep |H.W.F. | 0,67 |23.750 | | |Drechtsteden e.o. |Reinhardt | | | | | | | | | | |Zeeland | | | | |30|Regionale initiatiefgroep |Vacature | 0,67 |18.000 | | |Zeeland | | | | | | | | | | | |Noord-Brabant | | | | |31|Regionale initiatiefgroep |M. Smit | 0,44 |29.000 | | |West-Brabant | | | | |32|Regionale initiatiefgroep |C. Wagenaar | 0,83 |16.000 | | |Midden Brabant | | | | |33|Regionale initiatiefgroep |G.J. Bomer |0,33 |32.200 | | |Noordoost Brabant |G.J. Kohler |0,44 | | |34|Regionale initiatiefgroep |R. Voncken |0,33 |33.130 | | |Zuidoost Brabant |H. Knippels |0,39 | | | | | | | | | |Limburg | | | | |35|Regionale initiatiefgroep |E.M.P. Jansen |0,39 |22.630 | | |Noord en Midden Limburg |H. Knippels |0,50 | | |36|Regionale initiatiefgroep |M. van der | 0,94 |30.970 | | |Zuid-Limburg |Tier | | | | | | | | | | |Totaal | |22,59 |778.850 | Bijlage 3 SAMENSTELLING BEGELEIDINGSCOMMISSIE Voorzitter Rob Meerhof Leden Cuny Holthuis Voice Heico Klumpen Cliëntenbond Fred Stekelenburg Nederlandse Vereniging voor Autisme Jan Verheijen Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen Waarnemer Liesbeth Reitsma Landelijk Platform GGz Secretariaat Irma Lit Programma Lokale Versterking GGz Bijlage 4 BEGROTING 2008 Zie excelbestand ----------------------- [1] Voor een overzicht van regionale initiatiefgroepen wordt verwezen naar bijlage 2. [2] Voor de samenstelling van de begeleidingscommissie wordt verwezen naar bijlage 3.