[pic] Implementatie en borging 14 Mei 2008 Landelijk Platform GGz Postbus 13223 3507 LE Utrecht [pic] inhoudsopgave Samenvatting 2 1. Inleiding 4 1.1 Wmo en cliëntenparticipatie 4 1.2 Programma Lokale Versterking GGz Wmo 4 1.3 Leeswijzer 6 2. Stand van zaken 7 2.1 Visie en missie 7 2.2 Doelstellingen 7 2.3 Ontwikkelde activiteiten in de regio 8 2.4 Ondersteuning, uitwisseling en expertise -Landelijk Servicecentrum 11 2.5 Analyse succes- en faalfactoren 12 3. Toekomstverkenning 17 3.1 Ontwikkelingen 17 3.2 Waarom verder door? 20 3.3 Wat is daarvoor nodig? 21 3.4 Randvoorwaarden voor implementatie en borging 22 4. Mogelijke borgingspartners 24 4.1 Gemeenten 24 4.2 Landelijk Platform GGz 24 4.3 RCO's 25 4.4 Zorgbelangorganisaties 25 4.5 Programma VCP 26 5. Standpunt Landelijk Platform GGz 27 5.1 Inhoudelijke keuze 27 5.2 Noodzakelijke financiële middelen 28 6. Vervolgstappen 29 6.1 Stappenplan 29 6.2 Tijdpad 29 Bijlagen 30 I. Lijst van afkortingen 30 II. Overzicht regionale initiatiefgroepen met huidige werk- en samenwerkingsrelaties 32 samenvatting Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht geworden. De Wmo moet er voor zorgen dat mensen zolang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en mee kunnen doen in de samenleving. Meedoen is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Ook niet voor mensen met psychische, psychiatrische of verslavingsproblemen en zeker niet voor mensen die thuis- of dakloos zijn. De Wmo is een participatiewet die wordt uitgevoerd door de gemeenten. Gemeenten moeten hun inwoners betrekken bij de vormgeving en uitvoering van het ondersteuningsbeleid op een negental prestatievelden. Zij mogen zelf weten hoe ze dat doen. Veel gemeenten hebben gekozen voor een Wmo-adviesraad waaraan verschillende groepen burgers mee kunnen doen. Vanwege de relatieve onbekendheid van gemeenten met de problematiek van mensen met psychische handicaps, heeft het ministerie van VWS het Landelijk Platform GGz voor de periode 2006-2008 middelen ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz. Dit programma moet de Wmo gevoeliger maken voor de behoeften van mensen met psychische problemen en hun mantel-zorgers. Het programma doet dit door mensen uit de doelgroep te ondersteunen bij hun inbreng in het Wmo-beleid. Zesendertig breed samengestelde regionale initiatiefgroepen hebben sinds de zomer van 2006 vele activiteiten en initiatieven ontplooid, waardoor meer mensen zijn gaan meedoen aan de lokale belangenbehartiging. Zij nemen deel aan trainingen en cursussen waardoor zij beter in staat zijn hun rol als belangenbehartiger te vervullen. In steeds meer regio's worden per gemeente klankbordgroepen opgericht voor uitwisseling van kennis en ervaringen. Daarnaast is er in de regio's veel aandacht voor de samenwerking met de andere Wmo-cliëntengroepen. Ook de contacten met wethouders en beleidsambtenaren worden frequenter en intensiever. Lokale en regionale beeldvormingsactiviteiten en profileringsinitiatieven vergroten merkbaar de kennis over de doelgroep bij de gemeenten. Zij steken veel op van de ervaringsverhalen die worden verteld, geschreven en in beeld gebracht. Daarmee versterken mensen met een psychische kwetsbaarheid en hun naastbetrokkenen hun positie in het lokale Wmo-beleid. Met het einde van dit versterkingsprogramma -eind 2008- in zicht wil het Landelijk Platform GGz bevorderen dat de bereikte resultaten en de ontwikkelde initiatieven niet verloren gaan. De herverkaveling binnen het stelsel van zorg en maatschappelijke ondersteuning gaat ook de komende jaren door. De overheveling van AWBZ-onderdelen naar de Zorgverzekeringswet en de Wmo zal gevolgen hebben voor mensen die vanwege hun psychische, verslavings-, gedrags- of dakloosheidsproblematiek zijn aangewezen op toegankelijke en kwalitatief goede zorg en ondersteuning. Familie en andere mantelzorgers maken zich zorgen over de toekomst van hun naaste, indien van burgers wordt verwacht dat ze steeds meer zelf moeten kunnen regelen. Om sterk te staan in het lokale, regionale en landelijke politieke krachtenveld, waarop zorgverzekeraars, zorgaanbieders en overheids- bestuurders zo effectief en efficiënt hun belangen lijken te kunnen verdedigen, is het nodig dat de inbreng van cliënten en familie blijft gegarandeerd. Het Landelijk Platform GGz ziet daarom graag dat de in de regio's ontwikkelde samenwerkingsnetwerken (de regionale initiatiefgroepen) omgevormd worden tot Regionale Netwerken GGz die zowel de regionale en lokale belangenbehartiging op het gebied van de Wmo als op het terrein van de Zorgverzekeringswet gaan oppakken. Deze zouden ondergebracht en in de toekomst ondersteund dienen te worden bij een bestaande, sterke, breed geöriënteerde regionale organisatie. Zo'n organisatie heeft al laten zien c.q. heeft ervaring met het ondersteunen en faciliteren van de doelgroepen van het LPGGz. In de meeste gevallen zullen dat RCO's zijn of Zorgbelangorganisaties die bij Voice, de koepel van RCO's, zijn aangesloten. Doelmatigheidswinst kan behaald worden door per provincie één centraal punt te kiezen van waaruit de ondersteuning plaatsvindt van de aan de RCO's c.q. Zorgbelang gelieerde Regionale Netwerken GGz. De Regionale Netwerken GGz dienen volgens het LPGGz blijvend inhoudelijk ondersteund te worden door een landelijk kenniscentrum dat aangehaakt blijft bij het LPGGz. Per regio is minimaal E 60.000,- euro (in totaal E 2.160.000,-) nodig om de noodzakelijke infrastructuur in stand te houden. Om versnippering te voorkomen zouden deze gelden op provinciaal niveau gebundeld kunnen worden en ondergebracht kunnen worden bij een nader te bepalen RCO per provincie. Voor het Landelijk Kenniscentrum is circa E 400.000,- nodig. 1 inleiding 1.1 Wmo en cliëntenparticipatie Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking getreden. Deze wet maakt de gemeente verantwoordelijk voor de totstandkoming van een samenhangend stelsel van ondersteuning voor haar inwoners. Vooral de positie van sociaal kwetsbare burgers is daarbij een belangrijke verantwoordelijkheid. Hierbij gaat het om ouderen, verstandelijk, zintuiglijk en lichamelijk gehandicapten, thuis- en daklozen ('cliënten maatschappelijke opvang en vrouwenopvang'), (ex-)verslaafden en mensen met psychische, psychosociale en/of psychiatrische problemen ('cliënten geestelijke gezondheidszorg en openbare ggz'). In samenwerking met zorgaanbieders, welzijnsinstellingen, woningcorporaties, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties moet de gemeente aan de ondersteuning van deze groepen vormgeven. De drie belangrijkste terreinen waarop deze verantwoordelijkheid tot uitdrukking komt, zijn het bevorderen van het zelfstandig functioneren en zelfstandig wonen, de ontwikkeling en regie van een keten aan woon-, zorg- en welzijnsdiensten (met inbegrip van mantelzorgondersteuning) voor deze groepen en het bevorderen van de maatschappelijke participatie. De Wmo, als participatiewet, vereist dat burgers die zijn aangewezen op of gebruik maken van gemeentelijke Wmo- voorzieningen op een (inter-)actieve manier door gemeenten worden betrokken bij het maken van plannen en de uitvoering daarvan. De verwachting is dat het maatschappelijk ondersteuningsbeleid van de gemeente beter tegemoet zal komen aan de wensen, behoeften en voorkeuren van de burgers die in hun dagelijks leven zijn aangewezen op Wmo-voorzieningen wanneer de gemeente haar burgers een stevige adviesrol in het Wmo-besluitvormingsproces geeft, zowel bij de ontwikkeling en vaststelling als bij de uitvoering en evaluatie van beleid. 1.2 Programma Lokale Versterking Wmo-GGz Voor veel (organisaties van) mensen die korter of langer durend te maken hebben met een psychische, psychiatrische, verslavings-, gedrags-, ontwikkelings-, thuis- of dakloosheidsproblematiek is het opkomen voor hun belangen bij de lokale overheid niet in alle 443 gemeenten een vanzelfsprekende zaak. Om de cliëntenparticipatie van deze groepen in het lokale Wmo-beleid te stimuleren en te versterken heeft het ministerie van VWS voor de periode 2006-2008 7,5 miljoen euro ter beschikking gesteld aan het Landelijk Platform GGz voor de uitvoering van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz (PLV). Eenzelfde bedrag is door het ministerie uitgetrokken voor de ontwikkeling, ondersteuning en versterking van een lokale infrastructuur voor Wmo-cliëntenparticipatie in het algemeen. Zorgbelang Nederland en de provinciale Zorgbelangorganisaties doen dit middels het stimuleringsprogramma Lokaal Centraal, zij richten zich daarbij op álle Wmo-cliëntengroepen. Hoewel het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz een wat moeizame aanloop heeft gehad in het eerste jaar, zijn er in iets meer dan twintig maanden effectieve projecttijd belangrijke vorderingen gemaakt in het op de lokale kaart zetten van de PLV-doelgroep[1]. Burgers met psychische handicaps[2] en gemeentelijke beleidsmakers leren elkaar steeds beter kennen. Dit gaat met vallen en opstaan. Logisch, men heeft in het verleden immers weinig met elkaar te maken gehad. Dit geldt in het bijzonder voor burgers met langdurende, complexe psychische gezondheidsproblemen, die voor zorg en ondersteuning vooral waren aangewezen op AWBZ-gefinancierde GGz- instellingen, waaronder psychiatrische ziekenhuizen en beschermende woonvormen. Van beide zijden is het aftasten begonnen, beiden weten nog niet goed wat men van de ander mag en kan verwachten. Daarmee is iedere stap die in dit proces van nadere kennismaking en eerste uitwisseling wordt gezet winst en als een welkome doorbraak te kwalificeren. Programmamedewerkers die de regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking ondersteunen en assisteren, geven aan dat de meeste van de 443 gemeenten[3] graag met vertegenwoordigers van haar 'ggz-vz-mo' burgers in contact treden om samen te kijken welke maatschappelijke ondersteuning voor hen de juiste is zodat ook zij naar tevredenheid kunnen meedoen in de lokale samenleving. Omgekeerd blijkt het voor mensen die langdurig psychisch kwetsbaar zijn nog niet altijd zo gemakkelijk om in de directe contacten met gemeenten helder en duidelijk aan te geven welke vormen van steun(-voorzieningen) behulpzaam kunnen zijn bij het opbouwen, behouden of vergroten van het door hen gewenste niveau van maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid. Het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz faciliteert dit ontwikkelingsproces. De activiteiten die de afgelopen 21 maanden hebben plaatsgevonden, de resultaten die in een relatief korte tijdsspanne zijn geboekt en de successen die door de initiatiefgroepen inmiddels zijn behaald, laten zien dat het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz aan een behoefte voldoet. Ook de grote betrokkenheid en inzet van honderden mensen uit de doelgroep bij de versterking van de lokale belangenbehartiging en beleidsparticipatie van burgers met een psychische handicap op het terrein van de Wmo, de positieve reacties van gemeenten en de aansprekende activiteitenplannen die de initiatiefgroepen voor dit jaar op de agenda hebben gezet, worden gewaardeerd. Het programma wint aan bekendheid en kan inmiddels op een steeds bredere steun rekenen van lokale, regionale, provinciale en landelijke stakeholders. 2008 is het laatste jaar van het programma, met mogelijk een extra zes maanden uitloop in 2009 (met behulp van de niet- besteede middelen uit 2006 en 2007. Hierover is overleg gaande met het Fonds PGO en het ministerie van VWS. Om te voorkomen dat de met het programma ingezette versterking van de lokale en bovenlokale Wmo- beleidsparticipatie en belangenbehartiging door (naastbetrokkenen van) burgers met psychische, verslavings- en/of thuis- of dakloosheidsproblematiek weer op het niveau van vóór 2007 terugvalt en opnieuw in een achterstandspositie terechtkomt als we dat vergelijken met andere Wmo-cliëntengroepen, is het van groot belang dat hetgeen door de regionale initiatiefgroepen tot nu toe is neergezet en in 2008 verder zal worden uitgebouwd, ook de komende jaren kan blijven worden ondersteund en gefaciliteerd. 1.3 Leeswijzer Deze notitie wil betrokkenen handvatten aanreiken die kunnen bijdragen aan evenwichtige besluitvorming ten aanzien van een succesvolle en zorgvuldige implementatie en borging van: . de bereikte resultaten; . de opgebouwde, nog kwetsbare lokale en regionale samenwerkingsnetwerken van waaruit de belangenbehartiging wordt gevoed, gefaciliteerd en gecoördineerd; en . de regionale en landelijke expertise en ondersteuningsinfrastructuur. Aan de hand van de drie programmadoelen wordt in hoofdstuk 2 allereerst een overzicht gegeven van de ontwikkelde initiatieven en activiteiten in de regio, lokaal en landelijk. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een analyse van de factoren die van invloed zijn op de effectiviteit van de programma- activiteiten (paragraaf 2.5). In paragraaf 3.1 worden de (verwachte) ontwikkelingen in het stelsel van zorg en maatschappelijke ondersteuning besproken en de rol van cliënten- en familieorganisaties daarin. Op de vraag waarom de ondersteuning van lokale en regionale belangenbehartiging een vervolg moet krijgen na 2008, wordt antwoord gegeven in paragraaf 3.2, waarna in paragraaf 3.3 uiteen wordt gezet wat nodig is voor een effectieve belangenbehartiging. Paragraaf 3.4 geeft een overzicht van de randvoorwaarden voor implementatie en borging van de programmaresultaten, waaronder de opgebouwde regionale en lokale samenwerkingsnetwerken en de regionale en landelijke expertise en ondersteunings-infrastructuur. Vijf potentiële 'borgings'-organisaties worden in hoofdstuk 4 tegen het licht gehouden. Zij vormen de bouwstenen voor de inhoudelijke keuze van het Landelijk Platform GGz (hoofdstuk 5). De notitie wordt afgesloten met een stappenplan en tijdpad waarlangs de borging en implementatie zijn beslag moet krijgen. 2 Stand van zaken 2.1 Visie en missie Visie Wij willen dat mensen met een beperking, ongeacht de aard van de beperking en de mate waarin deze zich manifesteert, zonder uitzondering op eenvoudige wijze die maatschappelijke ondersteuning kunnen genieten die hen, afhankelijk van de eigen wensen, behoeften en voorkeuren, optimaal in staat stelt naar tevredenheid te leven, wonen, recreëren, onderwijs te volgen, deel te nemen aan sociale verbanden, relaties aan te gaan, te werken en fysieke en mentale afstanden te overbruggen. Missie Het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz van het Landelijk Platform GGz stelt zich ten doel mensen die als gevolg van aanhoudende psychische en psychosociale gezondheidsproblemen beperkingen ondervinden in het zelfstandig functioneren en/of in het meedoen aan reguliere maatschappelijke activiteiten, optimale ondersteuning (te) bieden bij het opkomen voor hun positie en belangen in de lokale samenleving, waarbij wordt gestreefd naar doelmatige en effectieve samenwerking met andere organisaties van en voor kwetsbare burgers. Lokale belangenbehartiging en beleidsbeïnvloeding kent een formele en een informele component. De formele weg loopt via de door gemeenten ingestelde Wmo-adviesraden en beroepsorganen (cliëntenparticipatie). De informele weg kent vele sporen, uiteenlopend van actiegerichte één-burger-initiatieven tot gecoördineerde, collectief georganiseerde voorlichting, informatie- en kennisoverdracht, en alles daartussen (burgerparticipatie). De basis en spil van de activiteiten die worden gefaciliteerd en gefinancierd vanuit het Programma Lokale Versterking zijn de zesendertig regionaal opererende initiatiefgroepen. De initiatiefgroepen streven naar een brede samenstelling. De gevarieerdheid van de PLV-groep moet immers in haar volle breedte terug te vinden zijn in de regionale en lokale belangenbehartiging en beleidsparticipatie, overeenkomstig de verscheidenheid in mensen en hun beperkingen waar de Wmo zich op richt. De aandacht voor deze verscheidenheid aan mensen en problematieken vormt, naast het doeltreffend beïnvloeden van het lokale Wmo-beleid in zoveel als mogelijk gemeenten, één van de toetsstenen voor succes van het programma. 2.2 Doelstellingen Doelstelling 1. Meer en beter - A. Verbreden van het draagvlak door meer (vertegenwoordigers van) mensen uit de ggz-vz-mo groep te betrekken bij de uitvoering van de Wmo en de totstandkoming van Wmo-voorzieningen. De Wmo is immers een participatiewet. Initiatiefgroepen streven naar een samenstelling in de volle breedte van de ggz-vz-mo groep. B. Deelnemers aan de lokale cliëntenparticipatie toerusten om (politieke) invloed uit te oefenen op de ontwikkeling, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijke ondersteuningsbeleid. Doelstelling 2. Solidariteit en samenwerking - Actief de samenwerking zoeken en aangaan met lokale en regionale belangenorganisaties van cliënten, gehandicapten en ouderen. Participatie kan niet en lukt niet in afzondering, als anderen of andere groepen worden buitengesloten. Solidair zijn met elkaar en elkaars eigenaardigheden, wensen en belangen is de basis voor een voor iedereen toegankelijke samenleving. Doelstelling 3. Verbeteren beeldvorming en vergroten kennis bij gemeenten - Gemeenteraadsleden, wethouders, ambtenaren en organisaties die een rol hebben in de uitvoering van de Wmo informatie en kennis aanleveren waardoor zij een meer evenwichtig, realistisch beeld krijgen van en over burgers met (ernstige) psychische handicaps die in hun gemeente wonen, leven en (willen) participeren. De specifieke problematiek en obstakels waar zij in het leven tegenaan lopen vereist dat mensen uit de ggz-vz-mo groep zélf vertellen en in beeld brengen welke beperkingen zij ondervinden als ze mee willen doen aan de lokale samenleving. 2.3 Ontwikkelde activiteiten in de regio In bijna twee jaar tijd zijn door de zesendertig regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking een veelheid aan initiatieven en activiteiten ontplooid. Aan de hand van de doelstellingen van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz kunnen (soorten) activiteiten en initiatieven die reeds hebben plaatsgehad dan wel in de regionale werkplannen voor 2008 zijn opgenomen, worden gescoord. Dit levert het volgende totaalbeeld op. Voorlichting, profilering, werving, begeleiding en afstemming Vrijwel alle initiatiefgroepen organiseren regelmatig informatie- en voorlichtings-bijeenkomsten. Deze bijeenkomsten richten zich op 'ggz-vz-mo' burgers, maar even zo vaak op de andere 'doelgroep' van het programma: wethouders, Wmo-beleidsambtenaren en gemeenteraadsleden. Tijdens deze bijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de betekenis van de Wmo voor mensen met beperkingen en voor de PLV-doelgroep in het bijzonder. Er is veel ruimte voor het uitwisselen van ervaringen met het deelnemen aan de samenleving en met het zo zelfstandig mogelijk leven en wonen en wat je daarbij zoal nodig hebt. De bijeenkomsten blijken een goede gelegenheid voor het stellen van vragen, het formuleren van speerpunten voor lokale belangenbehartiging en beleidsbeïnvloeding, discussie, nadere kennismaking en het uitwisselen van bereikbaarheidsgegevens. Initiatiefgroepen doen veel aan de eigen profilering. Onder andere door middel van het verspreiden van brochures en flyers, het ophangen van affiches en uitnodigingen op plaatsen waar mensen van de PLV-doelgroep komen, het publiceren van stukjes en wervingsadvertenties in lokale en regionale kranten, het houden van een powerpointpresentatie, het uitzenden van een radiospotje, het uitdelen van een informatiepakket enzovoort. De projectmedewerkers die de initiatiefgroepen ondersteunen, vervullen de functie van centraal contactpersoon in een regio of provincie. Met mensen die mee willen doen aan de regionale initiatiefgroep of een lokale klankbordgroep wordt in veel gevallen eerst een informerend kennismakingsgesprek gehouden. Voor hen die vanuit de PLV-groep deelnemen aan een gemeentelijke Wmo-adviesraad bestaat er in steeds meer regio's de mogelijkheid om met collega's uit andere gemeenten in de regio ervaringen, kennis en tips omtrent het adviesraadswerk uit te wisselen; dit doen zij in een zogenaamd (regionaal) deelnemers- of clusteroverleg. Met het toenemen van het aantal mensen dat vanuit de ggz-vz-mo groep deelneemt aan een Wmo-adviesraad, neemt ook de tijd die projectmedewerkers besteden aan het coachen en begeleiden van deze ggz-vz-mo participanten toe. Het gezamenlijk lezen en beoordelen van beleidsdocumenten, het voorbereiden van Wmo-raadsvergaderingen, het ontwikkelen van standpunten, visievorming, het afstemmen met vertegenwoordigers van andere Wmo- cliëntengroepen en de terugrapportage vanuit de Wmo-adviesraden naar de achterban, dit alles vraagt een goede en zorgvuldige coördinatie en afstemming. De projectmedewerkers ervaren dit logischerwijs als een tijdsintensieve en zo nu en dan onmogelijke opgave. Samenwerking: regionaal en interregionaal In alle regio's wordt samengewerkt met de provinciale Zorgbelangorganisatie (Lokaal Centraal/ Lokaal Sterk), in de helft van het aantal regio's met het programma VCP. Daarnaast is er in twintig regio's een goede samenwerking en afstemming met de regionale cliëntenorganisatie ggz (RCO; niet alle zesendertig regio's hebben een RCO) en in zeventien regio's met een of meerdere cliëntgestuurde projecten en/of -voorzieningen. Ook met organisaties of vertegenwoordigers van ouderen en lichamelijk en verstandelijk gehandicapten vindt in de helft van de regio's periodiek overleg en afstemming plaats. In drie regio's is er een verbinding gelegd tussen de activiteiten van de initiatiefgroep Lokale Versterking en die van de plaatselijke HEE-werkgroep (HEE staat voor Herstel, Empowerment en Ervaringsdeskundigheid). Initiatiefgroepen weten elkaar ook goed te vinden. Tweeentwintig groepen hebben geregeld contact met een of meer andere initiatiefgroepen. Verwacht mag worden dat dit aantal de komende tijd nog verder toe zal nemen. Ten slotte hebben twaalf initiatiefgroepen samenwerkingscontacten met in de regio gevestigde zorgaanbieders. Een voorbeeld van doelmatige en effectieve samenwerking in de regio en provincie zijn de provinciale en bovenregionale conferenties die in het voorjaar van 2008 op het programma staan en waar Zorgbelang, programma VCP en de regionale initiatiefgroep Lokale Versterking in gezamenlijkheid de tussentijdse resultaten van hun lokale versterkingsprogramma's presenteren aan de gemeenten. Training en scholing In 2007 hebben een veertiental initiatiefgroepen deelgenomen aan een een- of tweedaagse cursus gericht op het verwerven van basiskennis over de Wmo. In 2008 wordt ook in de andere regio's ten minste één basistraining georganiseerd. Vijftien initiatiefgroepen hebben in 2008 een vervolgcursus op het programma staan; in enkele regio's hebben reeds in de tweede helft van 2007 een tweede basiscursus én een vervolgtraining plaatsgehad. Zes regio's zijn op dit moment bezig met het voorbereiden van een verdiepingstraining op specifieke deelterreinen. De trainingscursussen worden zoveel als mogelijk op de leer- en kennisbehoeften van de deelnemers afgestemd. Het programma Lokaal Centraal van de Zorgbelangorganisaties organiseert ook trainingsdagen, deze zijn met name gericht op algemene vaardigheden die nodig zijn om als lokale belangenbehartiger goed je werk te kunnen doen. (Deelnemers van) tenminste zestien initiatiefgroepen Lokale Versterking hebben al aan een of meerdere van deze vaardigheidstrainingen deelgenomen of gaan daar in 2008 aan deelnemen. Tot slot, een op de drie initiatiefgroepen heeft een of meer gemeentelijke informatiebijeenkomsten over (cliëntenparticipatie in) de Wmo bijgewoond en vier initiatiefgroepen hebben ingesproken op raadscommissievergaderingen. Eén initiatiefgroep heeft zich laten scholen in het Agenda22 gedachtegoed en heeft deze kennis en deskundigheid al met succes weten over te brengen naar de helft van het aantal gemeenten in haar werkgebied. Thuis- en daklozen, vrouwenopvang, (ex-)verslaafden Thuis- en daklozen, vrouwen die zijn aangewezen op de vrouwenopvang, mensen met een verslaving of verslavingsachtergrond, allochtonen, jongeren en jeugd, kortom, groepen waarvan vaak wordt beweerd dat ze moeilijk te bereiken zijn en als ze in beeld zijn, lastig voor de belangenbehartiging te behouden. Omdat het Programma Lokale Versterking zich niet alleen richt op relatief makkelijk te bereiken GGz-cliënten (o.a. via cliëntenorganisaties, cliëntenraden, cliëntgestuurde voorzieningen) maar óók op cliënten van de verslavingszorg en de maatschappelijke opvang, inclusief de vrouwenopvang, is er bij veel initiatiefgroepen -nu de opbouwfase van het programma achter de rug is- in 2008 bijzondere aandacht voor de inbreng en belangenbehartiging van deze groepen in het lokale zorg- en ondersteuningsbeleid. Hiertoe worden door ruim de helft van het aantal initiatiefgroepen speciaal op de doelgroep afgestemde ontmoetingen georganiseerd. Een (beperkt) aantal initiatiefgroepen zetten, in navolging van de straatadvocaten die al enige jaren met succes in enkele grote steden actief zijn, een vertrouwenspersoon in om contacten te leggen met thuis- en daklozen. Het Landelijk Servicecentrum Lokale Versterking heeft twee parttime medewerkers die zich specifiek richten op het meehelpen organiseren en ondersteunen van de inbreng in het Wmo-beleid op de prestatievelden 7 (MO en VO), 8 (Openbare GGz) en 9 (verslavingsbeleid) door diegenen die erop zijn aangewezen. Zij worden bij het initiëren van activiteiten en het kritisch lezen van gemeentelijke plannen bijgestaan door een klankbordgroep van circa twaalf mensen met ervaring als cliënt in de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en de verslavingszorg. Een van de in het oog springende initiatieven van de klankbordgroep is het landelijk congres Niemand hoort de straat. De cliënt aan het woord, dat plaatshad in januari 2008 en is bezocht door ruim vierhonderd mensen, waarvan het overgrote deel mensen van de mo-vo-oggz-vz cliëntengroep zelf. Samen met andere belangenorganisaties op dit terrein wordt door een elftal regionale initiatiefgroepen en een landelijke meeleesgroep geprobeerd het Stedelijk Kompas resp. het Plan van Aanpak G4, dat door 39 centrumgemeenten resp. de vier grote steden wordt opgesteld om de participatie te stimuleren van cliënten van de MO, VO, OGGz en Vz, thuis- en daklozen en mensen met een verslavingsprobleem (niet iedere thuis- of dakloze of verslaafde is ook klant van de MO, VO of Vz), zo te beïnvloeden dat het cliëntenperspectief er voldoende in naar voren komt. Familie, naastbetrokkenen, mantelzorgers Naastbetrokkenen van mensen met (ernstige) psychische problemen, verslavingsproblemen of een gedrags- of ontwikkelingsproblematiek hebben er alle belang bij dat ook hun verhalen en ervaringen en hún behoeften en aandachtspunten worden meegenomen in de lokale Wmo-belangenbehartiging. Zij zijn immers, daarover bestaat geen twijfel, degenen die vanuit hun dírecte, vaak gevoelvolle betrokkenheid, gewenst of ongewenst worden geconfronteerd met de noden van hun gezins- of familielid en de belasting die dat met zich mee kan brengen. De initiatiefgroepen Lokale Versterking hebben vanaf de start van het programma de opdracht familie en andere naastbetrokkenen te betrekken bij hun initiatieven en activiteiten. Niet overal lukt dit nog naar tevredenheid, maar in een aantal regio's ook wél. Het programma heeft voor de communicatie en contacten met de landelijke familie-organisaties speciaal een medewerker binnen haar gelederen. Naast de categorale, ziekte- gerelateerde cliëntenorganisaties worden ook de familieorganisaties actief uitgenodigd om hun wensen ten aanzien van het lokale Wmo-beleid via de initiatiefgroepen bij de gemeenten kenbaar te maken. Een drietal familieorganisaties hebben tijdens de bovenregionale conferenties in januari en februari 2008 voorlichting gegeven aan de regionale initiatiefgroepen. Het programma wil graag dat zij daar mee doorgaan. De initiatiefgroepen moeten voortdurend blijven worden gevoed, zodat zij steeds beter in staat zijn lokaal werkende belangenbehartigers van adequate informatie en kennis te voorzien. Beeldvorming en kennisoverdracht Doelstelling drie van het programma, 'het verbeteren van de beeldvorming en het vergroten van kennis bij gemeenten', is door alle initiatiefgroepen goed opgepakt. Een palet aan activiteiten heeft al plaatsgevonden; anderen staan voor dit jaar op de rol. Een dwarsdoorsnee: het (al dan niet samen met anderen) maken en verspreiden van een nieuwsbrief, het uitdelen van informatiemateriaal (éen op éen), het in elkaar zetten en verspreiden van een Wmo-krant (met oproepen, ervaringsverhalen, nieuws, portretten, doelgerichte info, een agenda), de productie van een theater- of toneelvoorstelling, een fototentoonstelling, een kunstexpositie, een documentairefilm, het organiseren van een rondleiding (per bus) voor raadsleden en wethouders, het organiseren van workshops of andere informatieve (voorlichtings-)sessies eveneens voor wethouders, raadsleden, Wmo-adviesraden, politieke partijen en beleidsmedewerkers waarbij gesprekken en discussies totstandkomen aan de hand van de vertoning van een voorlichtings-DVD, ludieke sketches, voorgelegde stellingen of ervaringsverhalen die door ervaringsdeskundigen zelf worden verteld. Verschillende initiatiefgroepen leveren een bijdrage aan kwartiermakersfestivals of de Week van de Psychiatrie. Anderen organiseren zelfstandig een conferentie, symposium of festival waar belanghebbenden elkaar kunnen ontmoeten en, onder meer of minder serieuze omstandigheden, contacten kunnen leggen en gesprekken aangaan met andere betrokkenen. De helft van het aantal initiatiefgroepen heeft al of zal in de komende tijd gerichte media-aandacht gaan zoeken. Enkele hebben plannen om actievoeren als middel in te zetten om zo aandacht te genereren voor (een) actuele kwestie(s). Eén initiatiefgroep heeft in 2007 de Wmo-loketten in haar werkgebied aan een kwaliteitsbeoordeling onderworpen en heeft tijdens een publieke bijeenkomst de uitkomsten gerapporteerd aan de verantwoordelijke wethouders. De idee en opzet van dit Mystery Guest-onderzoek vindt in 2008 navolging in tenminste twaalf andere regio's. Meerdere initiatiefgroepen hebben een boekje gemaakt met informatie over hun activiteiten, een weerslag van gesprekken die zijn gevoerd met lokale betrokkenen, en/of een overzichtslijst van aandachtspunten en wensen vanuit de ggz-vz-mo groep voor lokaal ondersteuningsbeleid. Zeven initiatiefgroepen organiseren een woonwensenonderzoek onder burgers met psychische handicaps, waaronder thuis- en daklozen. Een achttal regio's, tot slot, ontwikkelt een cursusmodule 'Cliënten Trainen Ambtenaren' - in enkele regio's wordt de training (als pilot) al gegeven aan loketmedewerkers. 2.4 Ondersteuning, uitwisseling en expertise - het Landelijk servicecentrum Alle regionale initiatiefgroepen worden ondersteund en bijgestaan door een (parttime) projectmedewerker. In drie regio's wordt de projectmedewerker geassisteerd door een secretariaatsmedewerker. Deze regionaal werkende ondersteuners zijn ofwel in dienst van de Vereniging Landelijk Platform GGz, waaronder het Programma Lokale Versterking ressorteert, of zijn gedetacheerd vanuit een externe organisatie, dit kan zijn een Zorgbelangorganisatie, een regionale cliëntenorganisatie ggz (RCO) of een cliëntgestuurde voorziening. Veel van deze medewerkers heeft bij één van deze organisaties ook een werkplek, anderen werken vanuit huis of eigen kantoor. Reguliere bijeenkomsten van de initiatiefgroepen vinden vaak plaats op de locatie van de provinciale Zorgbelangorganisatie, de RCO, een cliëntgestuurde voorziening, maar ook wel op een gemeentehuis, een dagactiviteitencentrum of buurtcentrum of een andere goedtoegankelijke locatie. Sommige initiatiefgroepen wisselen de locatie van bijeenkomen bewust af, al naar gelang hiertoe vanuit de initiatiefgroep ideeën, wensen en behoeften naar voren worden gebracht. Daarnaast kunnen initiatiefgroepen en hun medewerkers gebruik maken van ondersteuning, kennis, deskundigheid, assistentie en specifieke gekwalificeerde expertise van het Landelijk servicecentrum dat zijn fysieke vestiging heeft in Utrecht en waar ook het Landelijk Platform GGz haar onderkomen heeft. Het servicecentrum Lokale Versterking heeft twee hoofdfuncties: . de coördinatie van alle voorkomende zaken op het gebied van organisatie, financiën en werknemersbeleid; . het beschikbaar stellen en (snel) inzetten van verschillende ondersteunende en regio-overstijgende diensten die de zesendertig initiatiefgroepen en hun medewerkers helpen en assisteren bij bijvoorbeeld het organiseren van activiteiten, het ontwikkelen van pr- materiaal en publiciteitscampagnes, het uitwisselen van ervaringen -zowel positief als negatief- tussen initiatiefgroepen onderling, het uitvoeren van sterkte-/zwakteanalyses, het zoeken, bundelen en beoordelen van de laatste informatie, en, niet de minste, het verder ontwikkelen van kennis, kwaliteiten, competenties, ideeën en vaardigheden van de initiatiefgroepen, de deelnemers en hun medewerker(s). 2.5 Analyse succes- en faalfactoren Alvorens ons te richten op de toekomst van de lokale belangenbehartiging door mensen met psychische handicaps en hun naastbetrokkenen, is het nuttig om de factoren die van invloed zijn op de effectiviteit van de programma- aanpak en de ontwikkelde programma-activiteiten nader te analyseren. Een regionale initiatiefgroep Lokale Versterking opereert niet in een vacuüm. Het werk van de initiatiefgroep en de resultaten die zij behaalt, kan daarom niet los worden gezien van de aanwezigheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van (mensen en middelen van) de andere, hen omringende, actoren. Ook het Verwey-Jonkerinstituut is in opdracht van het Fonds PGO bezig met een tussentijdse evaluatie van het programma Lokale Versterking. Hiertoe is eind 2007 o.a. een enquête gehouden onder programmamedewerkers die werkzaam zijn in de zesendertig regio's. De rapportage hierover zal naar verwachting in het voorjaar van 2008 verschijnen. De uitkomsten van deze evaluatie kunnen daarom nog niet worden meegenomen in deze notitie. Desalniettemin kunnen op basis van de eigen ervaringen wel degelijk eerste voorzichtige conclusies worden getrokken omtrent de (ervaren) succes- en faalfactoren. Interessant zal zijn of deze overeenkomen met de conclusies van de evaluatie van het Verwey-Jonkerinstituut. Belangenbehartiging: bewegen tussen kwetsbaarheid en kracht (Collectieve) belangenbehartiging en het effectief beïnvloeden en meehelpen ontwikkelen van beleid is niet eenvoudig; voor niemand. Opkomen voor je positie en je belangen gaat over mensen en hun wensen. En die zijn vaak heel divers en verschillend van aard. Belangenbehartigers hebben rekening te houden met een veelheid en met een verscheidenheid aan meningen, ervaringen, verlangens en voorkeuren. Behoeften van mensen zijn in sterke mate individueel en door de individuele omstandigheden bepaald en daarom zeer divers van aard. Niemand kan voor een ander bepalen wat hij of zij nodig heeft. Bevoogding heeft in de huidige tijd een negatieve betekenis en kan rekenen op weinig begrip. Het wordt geassocieerd met niet serieus genomen worden. Vooral het verplichtende karakter dat vaak onlosmakelijk is verbonden met bevoogding en patronizing laat weinig ruimte voor eigen inbreng en eigen zeggenschap en zelfbeschikking. Dit is niet anders, en geldt misschien wel in het bijzonder, voor mensen die door (ernstige en aanhoudende) psychische of psychosociale problematiek, uit nood gedwongen, zijn aangewezen op professionele zorg en ondersteuning. Mensen met psychische gezondheidsproblemen en/of psychosociale beperkingen willen aandacht voor de zaken die hen in het dagelijks leven bezighouden. In het openbaar spreken over dromen en verlangens is niet voor iedereen een gemakkelijke aangelegenheid. Echter het opkomen voor je belangen en je positie in de lokale samenleving vereist dat je in gesprek raakt met de mensen die een belangrijke, soms beslissende, rol hebben in het uitzetten van de lijnen van het lokale 'politieke speelveld'. Overleg met ambtenaren, raadsleden, wethouders of leidinggevend personeel van instellingen, met mensen die je meestal niet persoonlijk kent, kan een lastige opgave zijn. Temeer omdat de uitkomsten van het overleg zich niet altijd onmiddellijk 'uitbetalen' in zichtbare, tastbare producten of acties. Het vraagt in ieder geval, naast (zorgvuldige) afstemming met je collega-woordvoerders, zowel mentaal als inhoudelijk een goede voorbereiding. En ook tijdens het gesprek gebeurt er altijd wel iets waarop je je niet had voorbereid. Toch is het zo dat belangenbehartiging en beleidsbeïnvloeding die gericht is op het verbeteren van de positie, de participatie en de mogelijkheden van mensen met een psychische handicap en hun naastbetrokkenen in de lokale samenleving, alleen maar slaagt als de onbekende, kwetsbare verhalen steeds opnieuw worden verteld. Daarmee is belangenbehartiging voor de doelgroep van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz een voortdurend bewegen tussen enerzijds; mentale en sociale kwetsbaarheid en anderzijds; inhoudelijke, organisatorische en creatieve kracht. Initiatiefgroepen, platforms en hun deelnemers Regio's waar de initiatiefgroep, het basisberaad of cliëntenplatform reeds met succes gemeenten gevoeliger heeft gemaakt voor de noden en behoeften van de PLV-groep, en deze een gezicht heeft gegeven, hebben met elkaar gemeen dat de deelnemers goed samenwerken en een open houding hebben, zowel naar elkaar als naar buiten. Deelnemers nemen hier zelf het voortouw, zijn initiatiefrijk, trekken graag met elkaar op, hebben oog voor elkaars mogelijkheden en valkuilen, respecteren, motiveren en inspireren elkaar, accepteren elkaars beperkingen en eigenaardigheden en weten een sfeer van gemoedelijkheid en vertrouwen te creëren. In het recente of verre verleden ontstane tegenstellingen zijn overwonnen en spelen geen rol meer in het samenwerken en samen ontplooien van initiatieven en activiteiten. Taken worden er goed verdeeld zodat iedereen weet waar hij aan toe is en wat zij of hij van de ander mag en kan verwachten. De regio's die zich vóór de start van het programma al richtten op gemeenten, hadden het voordeel dat ze lokale versterkingsinitiatieven vrij eenvoudig konden inpassen of laten aansluiten op hun gebruikelijke, op de lokale belangenbehartiging, gerichte activiteiten. Dit betreft in alle gevallen regio's waar al langere tijd een breed platform van (een deel van) de PLV-groep, in de hoedanigheid van een RCO, actief is. De meeste initiatiefgroepen hebben de lokale participatieachterstand van 2006 grotendeels ingelopen. In een achttal regio's kan, gezien de breedte van de initiatiefgroep en van het netwerk van cliënt- en familievertegenwoordigers daaromheen, begin 2008 gesproken worden van een breed vertegenwoordigend platform waar dat voorheen niet was. Verschillende van deze initiatiefgroepen hebben plannen om in 2008 een zelfstandig platform van cliënten en naastbetrokkenen op te richten, mede met het oog op het borgen van wat zij gaandeweg de programmaperiode in de regio hebben neergezet met hun versterkingsactiviteiten. Samenwerking, training, scholing en uitwisseling Opvallend is de grote samenwerkingsbereidheid van regionale initiatiefgroepen met andere organisaties c.q. programma's in de regio. Men heeft kennelijk goed in de gaten dat in het beïnvloeden van Wmo-beleid veel meer te bereiken is indien er wordt opgetrokken met andere Wmo- cliëntengroepen. Trainingen, themadagen en cursussen helpen merkbaar bij het wegnemen van informatie- en kennisachterstanden. Het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de deelnemers en daarmee de onderlinge solidariteit nemen toe, wat niet alleen goed zichtbaar is tijdens de dagen zelf, maar ook in het vervolg daarop, als de andere versterkingsactiviteiten weer de aandacht vragen. Naarmate de docenten die de trainingen geven flexibeler inspelen op de leer- en kennisbehoeften van de cursusgroep, des te groter de kans dat de deelnemers na afloop een stuk sterker en steviger in hun schoenen staan en nog meer zin en vertrouwen hebben in het opkomen voor de belangen van mensen met psychische beperkingen en het uitdragen en verduidelijken van de specifieke zaken die voor deze groep burgers belangrijk zijn, met name in die gezelschappen (zoals de formele Wmo- adviesraden) waar je je gemakkelijk een eenling kunt voelen onder 'superdeskundigen' die al zoveel langer ervaring hebben met het lokale, politieke advies- en lobbywerk. De betekenis van de peer-functie van de regionale initiatiefgroep, lokale klankbordgroep, deelnemersoverleg en activiteitenwerkgroepen kan en mag niet worden onderschat. Dit betekent óók dat een stimuleringsprogramma als het huidige Programma Lokale Versterking best landelijk kan worden aangestuurd, maar dat een bottom-up uitvoering de beste garantie is dat de doelen ook daadwerkelijk (zullen kunnen) worden bereikt. Organisatie Dan de programmaorganisatie. Die heeft de opdracht om in een tijdsbestek van twee-en-een-half jaar de (boven-)lokale belangenbehartiging en beleidsparticipatie van-en-door de ggz-vz-mo groep op het niveau te brengen van die van ouderen en mensen met een lichamelijke beperking, zowel inhoudelijk (kwalitatief) als kwantitatief. Het opbouwen en neerzetten van een landelijke uitvoeringsorganisatie die taken heeft op alle voorhanden zijnde operationele niveaus - van lokaal, bovenlokaal, regionaal en provinciaal tot bovenregionaal en landelijk - lukt niet in een handomdraai, ofschoon daar in het begin weinig begrip voor leek te bestaan. Inmiddels kent het programma zestig (parttime) medewerkers, zesendertig initiatiefgroepen en meer dan zeshonderd mensen die lokaal en in de regio participeren (in de werkzaamheden) in en rondom de initiatiefgroepen. Tot nu toe hebben er een slordige driehonderd lokale versterkingsactiviteiten plaatsgehad, terwijl de komende tien maanden nog een reeks van initiatieven staan gepland. Een dergelijke organisatie(-opzet), met een landelijke, deels bovenregionale, aansturing en een (boven-)lokale en regionale uitvoeringspraktijk, is zowel logistiek, organisatorisch als verantwoordingstechnisch minder makkelijk te managen dan één waarbij de uitvoering en aansturing op hetzelfde niveau plaatshebben. Regelmatige afstemming, heldere communicatielijnen en een degelijk en transparant personeelsbeleid hebben bijgedragen aan de rust en stabiliteit waarvan de initiatiefgroepen en programmamedewerkers hebben aangegeven dat ze dat zeer prettig vinden. Personeel De ervaringen van twee jaar Programma Lokale Versterking laten zien dat programmamedewerkers die (ruime) ervaring hebben met het samenwerken met mensen van de PLV-doelgroep, iets sneller resultaten weten te behalen dan de medewerkers die daar weinig of geen ervaring mee hebben. Deze specifieke werkervaring heeft, gemiddeld genomen, een positieve invloed op de ontwikkeling van de initiatiefgroep, de netwerkvorming daaromheen en het praktisch ondersteunen en coördineren van initiatieven en activiteiten. Zij weten beter om te gaan met (potentiële) loyaliteitskwesties, gedragsconflicten, meningsverschillen en/of belangentegenstellingen die in een groep de voortgang (soms in ernstige mate) kunnen hinderen. Het aantal uren dat een medewerker beschikbaar is voor een initiatiefgroep lijkt een minder kritische factor, evenmin als de locatie waarvandaan de medewerker zijn of haar werkzaamheden verricht. Wel lijkt van belang dat de medewerker niet in een vacuüm opereert. Frequent contact en uitwisseling met collega's van andere versterkingsprogramma's (zoals van Zorgbelang Nederland), met RCO's, cliëntgestuurde voorzieningen en collega-initiatiefgroepen en met de regionale projectleider verhogen het werkplezier en dragen, alleen al daarom, bij aan het op peil houden van de motivatie als het even wat tegenzit. Daarnaast is collegiale uitwisseling belangrijk als het gaat om ideeënvorming, kennisverspreiding en het creëren van draagvlak voor het organiseren van samenwerkingsactiviteiten. Collegiale netwerken vormen daarmee een community of practice, waar iedere deelnemer voordeel van heeft. De regionale projectleiders (voor respectievelijk Zuid-NL, West-NL, Gelderland, Noord-NL), de aandachtsfunctionarissen (MO-VO-Vz-OGGz, cursussen/trainingen, communicatie lidorganisaties Landelijk Platform GGz, witte vlekken) en servicebureaumedewerkers (infodesk, administratie, communicatie en coördinatie) staan allen ten dienst van de zesendertig initiatiefgroepen en hun ondersteuners. Zonder deze ondersteuning zouden de projectmedewerkers hun werk minder snel effectief kunnen laten zijn. De regionale projectleider is daarbij de 'verbinding' tussen (boven-)lokaal en landelijk. De projectleider moet goed bereikbaar zijn, toegankelijk, communicatief, deskundig, doortastend en flexibel inzetbaar zijn. Daarnaast moet de projectleider de initiatiefgroepen en hun medewerkers niet in de weg zitten, geen drempels opwerpen voor smart-uitgewerkte initiatieven, als sparringpartner en office manager optreden voor programmamedewerkers in de regio, de regionale situatie goed kennen, boven de regionale actoren staan en verbindend opereren. Website en andere instrumenten, makelen en schakelen De website lokaleversterking.nl is voor de programmamedewerkers en initiatiefgroepleden dé centrale informatiebron. Op de website is van alles te vinden waar initiatiefgroepen en hun medewerkers hun voordeel mee kunnen doen, zoals aankondigingen en verslagen van bijeenkomsten, nieuwsbrieven, goede voorbeelden uit de regio, actueel Wmo- en programmanieuws, een overzicht van alle zesendertig regionale initiatiefgroepen, hun werkplannen, hoe je ze kunt bereiken en waar ze zich op dit moment mee bezighouden. Verder veel handreikingen, handige doorklikmogelijkheden naar andere relevante sites, een uitgebreide bibliotheek(-archief) van documenten die verband houden met de Wmo en belangenbehartiging en cliëntenparticipatie, een digitale winkel waar pr- en informatie-materiaal kan worden (bij-)besteld, en een overzicht van regelingen en formulieren die van toepassing zijn voor de programmamedewerkers. Daarnaast kunnen medewerkers met elkaar gedachten en ideeën uitwisselen op het intranetforum. Ook verschijnt er iedere veertien dagen een Nieuwsflits die programmadeelnemers attendeert op belangrijke actuele ontwikkelingen en initiatieven, met doorverwijzigingen. De website is een wezenlijk instrument voor een regionaal en lokaal geörienteerde organisatie als Lokale Versterking. De praktijk laat zien dat het snel kunnen delen, uitwisselen en leren van elkaars ervaringen er in belangrijke mate toe bijdraagt dat succesvolle initiatieven en activiteiten in de ene regio gemakkelijk (kunnen) worden overgenomen door andere. De regionale projectleiders en servicebureaumedewerkers vervullen hierbij de functie van makelen en schakelen. Hun specifieke deskundigheid, ervaring en expertise zorgt ervoor dat medewerkers en initiatiefgroepen in het land adequaat de informatie en ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen. De beschikbaarheid van eenduidige, digitale formats voor o.a. werkplan en voortgangs-rapportage, en van eenvoudig te hanteren draaiboeken van best-practices voorkomt dat medewerkers onnodig veel tijd en aandacht moeten besteden aan het steeds opnieuw uitzoeken van zaken die uiteindelijk hetzelfde zijn voor iedereen. En, last but not least, toegang tot ledenadresbestanden van lidorganisaties van het Landelijk Platform GGz vergemakkelijkt het bereiken van mensen van de PLV-doelgroep die best wel mee zouden willen doen, maar nog niet weten hoe. De rol van de gemeenten Het werk van de regionale initiatiefgroepen richt zich in hoofdzaak op het op de kaart zetten van de ggz-vz-mo groep bij de gemeenten. Wil je gemeenteraden en lokale politici, bestuurders en beleidsmakers gevoeliger maken voor de (kwetsbare) positie van inwoners met psychische problemen en psychische handicaps - waaronder thuis- en daklozen, (ex-)verslaafden, hun familie en andere mantelzorgers - en hun wensen en behoeften ten aanzien van het vergroten van de deelname-mogelijkheden in de lokale samenleving met succes over het voetlicht brengen, dan kan het veel uitmaken in welke mate de gemeente zich open wil stellen voor deze voor hen 'nieuwe' Wmo- klantengroepen. Gemeenten verschillen daarin, hoewel de ervaring leert dat de meeste zich positief en uitnodigend opstellen. Regionale initiatiefgroepen hebben al veel gedaan om bij wethouders en ambtenaren in beeld te geraken en gaan daar in 2008 volop mee door. Het opstellen van het Wmo-beleidsplan voor de komende periode was voor verschillende initiatiefgroepen in de tweede helft van 2007 aanleiding om zich in een ambtelijk overleg uit te spreken over de plannen en extra wensen en aandachtspunten toe te voegen. Twee van de drie gemeenten hebben op dit moment een Wmo-adviesraad. Dit inspraakorgaan geeft 'vertegenwoordigers' van Wmo-groepen de mogelijkheid op een directe manier invloed uit te oefenen op het Wmo-beleid. Welke burgers voor deelname aan een Wmo-adviesraad worden toegelaten is sterk lokaal dan wel regionaal bepaald. In de ene (cluster van) gemeente(n) mogen belangenorganisaties zelf bepalen wie namens hen zitting nemen in de adviesraad, terwijl er ook (clusters van) gemeenten zijn die er bewust voor hebben gekozen de Wmo-adviesraad te laten bestaan uit uitsluitend professionals en leidinggevenden van lokale/ regionale zorg- en welzijnsaanbieders, met daarnaast een of enkele onafhankelijke beleidsdeskundigen. Niet alleen ten aanzien van de beoogde participanten verschilt het selectiebeleid van gemeenten, ook als het gaat om de selectieprocedure bestaan er verschillen. Zo wordt de samenstelling van de sollicitatiecommissie in de ene gemeente overgelaten aan (de voorzitter van) de Wmo-raad, terwijl in een andere gemeente de wethouder zelf en enkele van zijn ambtenaren de sollicitatiegesprekken afnemen. Vooral gemeenten die ruimte bieden aan vormen van formele cliëntenparticipatie (Wmo-adviesraden) én vormen van informele burgerparticipatie, kunnen rekenen op steun van belangenorganisaties. De ene gemeente doet ook meer om Wmo-raadsleden en lokale belangenbehartigers te ondersteunen dan de andere. Voor mensen uit de PLV-doelgroep die deelnemen aan een Wmo-raad, moet de mogelijkheid bestaan om een collega- maatje, vaste vervanger of begeleider mee te nemen naar de vergaderingen. In ieder geval kan het helpen als zij met twee of meer mensen mogen aanschuiven. Gelukkig zijn er enkele gemeenten die hierover vanaf het begin niet moeilijk hebben gedaan. Juist omdat het hier gaat om een participatiewet, die erop is gericht dat iedereen kan meedoen aan de lokale samenleving, ongeacht de (aard van de) beperkingen, zouden gemeenten verzoeken hiertoe zonder aarzelingen moeten honoreren. Helaas is dit lang niet overal al het geval. Om alle gemeenten zover te krijgen dat zij burgers met beperkingen maximaal betrekken bij het ontwikkelen, opzetten en uitvoeren van Wmo-voorzieningen, is er nog een lange weg te gaan. Faalruimte, lerend vermogen en tijd Zoals aan het begin van deze paragraaf al is gememoreerd, opereert de initiatiefgroep niet in een vacuüm. Het succes van de acties en initiatieven die worden ontplooid is medeafhankelijk van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van (mensen en middelen van) de andere, hen omringende, actoren. We hebben gezien dat de in de programmaorganisatie aanwezige competenties eraan bij moeten dragen dat initiatiefgroepen (nog) sneller lokale en regionale successen kunnen bereiken. Maar ook als alles meezit en iedere betrokkene optimaal haar of zijn aandeel levert, kan het resultaat toch tegenvallen. Alleen al daarom moet er in een ontwikkelingsprogramma dat Lokale Versterking is, voldoende ruimte zijn om 'fouten' te kunnen maken. Dit brengt met zich mee dat ook tijd een kritische factor is in het behalen van de doelen van het programma. Tevens is het van belang dat zowel de medewerkers van de programmaorganisatie, als zo ook de lokale en regionale belangenbehartigers, zich zó opstellen dat ze willen leren van wat mis is gegaan. Opdat de valkuil van het ene moment niet dezelfde zal zijn als die van een volgende. 3 toekomstverkenning 3.1 Ontwikkelingen AWBZ, ZVW en Wmo: drie regimes van financiering Cliënten van de geestelijke gezondheidszorg (de verslavingszorg inbegrepen) zijn anno 2008 aangewezen op zorg, begeleiding en/of maatschappelijke ondersteuning die haar financieringsbasis vindt in drie wettelijke regimes: de AWBZ, de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Wmo. In de 'oude' AWBZ-situatie konden cliënten, naastbetrokkenen en hun organisaties langs verschillende wegen invloed uitoefenen op het GGz-beleid. Onder andere via de cliëntenraad en de familieraad van de GGz-instelling, de Raad van advies van het Zorgkantoor en via de provinciale Regiovisies. Die laatsten bestaan niet meer, terwijl cliënten- en familieraden ook in de toekomst belangrijk zullen blijven als het gaat om het scherp houden van de GGz-aanbieder. Echter, met de herverdeling van de (klassieke) geestelijke gezondheidszorg - en de daarmee samenhangende herallocatie van financieringsstromen - over de ZVW, de AWBZ en de Wmo, is er ook voor belangenbehartigers een situatie (aan het) ontstaan waarbij zij de aandacht moeten verdelen over steeds meer beleidsbepalende en uitvoerende actoren: 443 gemeenten waaronder 43 centrumgemeenten, een groot aantal welzijnsorganisaties en andere maatschappelijke dienstverleners, 31 zorgverzekeraars, zorgkantoren, 108 zorgaanbieders en de centrale overheid. Negen Wmo-prestatievelden en (boven-)lokale belangenbehartiging De Wmo is pas vanaf 2007 actueel geworden voor burgers met psychische, psychosociale, psychiatrische en/of verslavingsproblemen. Vanwege het gebrek aan een lokale visie op wat de Wmo betekent voor deze groepen hebben er, ook in 2007, nog weinig gemeentelijke activiteiten plaatsgevonden ten behoeve van de ggz-vz-mo groep. In een aantal grote steden is de lokale ggz- belangenbeweging al langer, soms al meer dan twintig jaar, met succes actief in het beïnvloeden van het lokale zorg- en welzijnsbeleid. Met de invoering van de Wmo zijn gemeenten verplicht alle Wmo-cliëntengroepen te betrekken bij het formuleren en ontwikkelen van (een integraal) ondersteuningsbeleid op negen zogeheten Wmo-prestatievelden. Het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz biedt de ggz-vz-mo groepen in de periode 2006- 2008 ondersteuning bij het opkomen voor hun positie en belangen in de lokale samenleving, in het bijzonder de Wmo (zie de missie van het programma, paragraaf 2.1). Zij stimuleert lokale, bovenlokale en regionale netwerkvorming van belangenbehartigers en faciliteert hen bij het ontplooien van initiatieven en activiteiten die eraan bijdragen dat gemeenten een evenwichtiger, realistisch beeld krijgen van mensen met psychische handicaps die in hun gemeente leven, wonen en (willen) deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De negen prestatievelden bieden ieder afzonderlijk, maar ook in combinatie met elkaar, voor de PLV-groep een reeks van aanknopingspunten om zich stevig te mengen in de lokale en bovenlokale belangenbehartiging. Het komt nog vaak voor dat een gemeenteambtenaar of -bestuurder denkt dat (ex- )cliënten van de GGz, verslavingszorg en maatschappelijke opvang alleen maar betrokken hoeven te worden bij de invulling van de prestatievelden 7 (MO, VO), 8 (OGGz) en 9 (verslavingsbeleid). Dat moet óók. Maar wat te denken van prestatieveld 1, het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen, steden en buurten. Of het opzetten van ondersteuningsvoorzieningen voor jeugdigen met gedrags- of ontwikkelingsproblemen en ouders met opvoedingsproblemen (prestatieveld 2). En de aanwezigheid van één gemeentelijk informatieloket, waar burgers terecht kunnen voor advies en cliëntondersteuning (prestatieveld 3). Maar ook het ondersteunen van mantelzorgers (prestatieveld 4), het bevorderen van de zelfredzaamheid en deelnamemogelijkheden in de lokale samenleving (prestatieveld 5) en het verlenen van voorzieningen die dat mogelijk moeten maken (prestatieveld 6). Kortom: burgers die te maken hebben met psychische, psychiatrische en/of verslavingsproblemen, met thuis- of dakloosheid, met gedrags- of andere ontwikkelingsproblemen, én hun naastbetrokkenen (familie, opvoeders, mantelzorgers) hebben belang bij een adequate invulling, uitvoering en afstemming van alle negen prestatievelden. Het politieke spel om de inzet en verdeling van de niet- geoormerkte gemeentelijke financiën, vraagt de komende jaren, en ook de jaren erna, een actieve lokale en bovenlokale beïnvloedingsstrategie van cliënten- en familiebelangenbehartigers. Nabije toekomst: meer overhevelingen naar Wmo en ZVW De overheveling van AWBZ-onderdelen naar de Zorgverzekeringswet en de Wmo is pas begonnen. Naar verwachting zullen geleidelijk aan steeds meer AWBZ- voorzieningen ondergebracht worden bij de Wmo en de ZVW. De op genezing gerichte geestelijke gezondheidszorg is inmiddels, vanuit de AWBZ, ondergebracht in de basisverzekering (ZVW). Dit maakt mogelijk de weg vrij voor zorgverzekeraars om in de toekomst, als de regering daartoe besluit, onderdelen van de geestelijke gezondheidszorg onder te brengen in aanvullende verzekeringspakketten. De verwachte aanstaande overheveling van (onderdelen van) de AWBZ-functies ondersteunende en activerende begeleiding naar de Wmo en de ZVW, maar ook het meer en meer loskoppelen van de 'woon'- component van de AWBZ-zorg (het scheiden van wonen en zorg), zal ook voor cliënten van de GGz en de verslavingszorg belangrijke, wellicht ingrijpende, gevolgen met zich mee brengen. Maatschappelijke opvangvoorzieningen en cliëntgestuurde projecten zijn nu al aangewezen op gemeentelijke Wmo-middelen en (de willekeur van) lokale beleidsprioriteiten. Kwaliteit: gezamenlijke verantwoordelijkheid Hoewel de minister van VWS verantwoordelijk blijft voor het gehele stelsel van geestelijke gezondheidszorg, wordt het vermogen van het maatschappelijk middenveld aangesproken om zelfstandig de kwaliteit in de lokale en regionale uitvoering te waarborgen en te verbeteren. De minister is van oordeel dat "de patiënten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties gezamenlijk een krachtige partij moeten gaan vormen ten opzichte van zorgaanbieder, zorgkantoor, zorgverzekeraar, overheden en andere organisaties met een maatschappelijke functie". Met andere woorden: de minister is verantwoordelijk voor het systeem, en de maatschappelijke partijen (gemeenten, zorgverzekeraars, zorgaanbieders én patiënten/consumentenorganisaties) voor de kwaliteit van de uitvoering. Zoals gemeenten bij wet verplicht zijn hun inwoners te betrekken bij de ontwikkeling en (het toezicht op de kwaliteit van) de uitvoering van de Wmo (zie hoofdstuk 1), zo is het voor zorgverzekeraars in het licht van hun rol op de zorgverzekeringsmarkt aantrekkelijk om van zorgconsumenten te horen welke criteria zij stellen aan goede zorg. En zoals gemeenten een regieverantwoordelijkheid hebben ten aanzien van een goed en sluitend ondersteuningsaanbod op lokaal en bovenlokaal niveau, zo hebben zorgverzekeraars, vanuit hun nog steeds sterke regionale bindingen, belang bij het behouden van hun marktleiderspositie op de regionale zorginkoopmarkt. Daarnaast hebben zorgverzekeraars er belang bij om goede relaties te onderhouden met (grote en middelgrote) gemeenten; samen moeten zij tot een goede afstemming komen over datgene wat in de Wmo geregeld wordt en wat in de Zorgverzekeringswet. Een belangrijk strategisch gegeven is dat gemeenten en zorgverzekeraars sinds 2006, met de invoering van de Zorgverzekeringswet, al een intensieve relatie hebben vanwege de collectieve contracten die meer dan 350 gemeenten met zorgverzekeraars hebben afgesloten voor hun uitkeringsgerechtigden. In deze collectieve contracten is naast het basispakket en de aanvullende verzekering ook het gemeentepakket van de bijzondere bijstand opgenomen. De combinatie van chronisch zieken, gehandicapten en sociale minima omvat ongeveer veertig procent van de bevolking en is verantwoordelijk voor circa tachtig procent van de zorgconsumptie. Daarmee vertegenwoordigen de gemeenten in potentie een enorme onderhandelingsmacht tegenover zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Dat biedt mogelijkheden voor gemeenten om speciale arrangementen te ontwikkelen voor chronisch zieken en gehandicapten binnen het lokale volksgezondheidsbeleid. Zorgvragersbeleid, cliëntgestuurde projecten, RCO's en Zorgbelang Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw hebben de provincies in het kader van het provinciaal welzijnsbeleid een taak in het ondersteunen van provinciale en regionale organisaties, of platforms, van patiënten/consumenten. In heel wat provincies is gedurende kortere of langere tijd binnen deze RPCP's het klaverbladmodel in zwang geweest. Voor ieder type zorgvrager, of beter gezegd: voor iedere sector van de gezondheidszorg werd een aparte cluster of sectie opgericht van waaruit zorgconsumenten hun eigen specifieke belangen konden behartigen. De vier zorgsectoren betroffen de algemene gezondheidszorg (ziekenhuizen, huisartsen, eerstelijnszorg), de verstandelijk gehandicaptenzorg, de geestelijke gezondheidszorg en de somatische gezondheidszorg (voor lichamelijk en zintuiglijk gehandicapten en chronisch zieken). Onder andere als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de voortgaande vermaatschappelijking van de GGz en de verstandelijk gehandicaptenzorg, richtten de patiënten/consumenten platforms en hun afzonderlijke 'zorg'-clusters vanaf de tweede helft van de jaren negentig hun vizier in toenemende mate op gemeenten, provincie, zorgkantoren en instellingen met een maatschappelijke dienstverleningsfunctie. De oriëntatie op het regionale zorgkantoor vond zijn oorsprong vooral in de AWBZ-subsidieregeling Zorgvernieuwingsprojecten GGz (ZVP), waarmee het voor (ex-)cliënten van de GGz mogelijk werd zélf initiatieven en projecten en voorzieningen op te zetten en deze in de periferie van de GGz-instelling, of helemaal los daarvan, in eigen beheer verder te ontwikkelen. Vanaf 2000 kregen deze cliëntgestuurde projecten een flinke impuls doordat het totaal door de zorgkantoren in te zetten ZVP-budget stapsgewijs werd verhoogd van 2,5 tot 6,5 miljoen euro. Vooral in en rondom grote steden is vandaag de dag een rijke schakering aan cliëntgestuurde initiatieven te vinden. Hierbij gaat het om vriendschapsbureaus, maatjesprojecten, informatiewinkels, steunpunten voor cliëntondersteuning en advies, schilderateliers, cursusgroepen, zelfhulpgroepen, straatadvocaten, zelfstandige bedrijfjes, mediaproducties, 'veilige' ontmoetingsplekken, etc. De ZVP-subsidie is in 2007, bij de invoering van de Wmo, samen met het totaalbudget van de enkelvoudige huishoudelijke verzorging en verschillende andere AWBZ-subsidies (bij elkaar ca. één miljard euro), overgeheveld naar het Gemeentefonds. Sindsdien staat het voortbestaan van een groot aantal cliëntgestuurde projecten op het spel en is de toekomst van de projecten die op dit moment nog overleven, ongewis. De provincies hebben in 2005 hun zorgvragersbeleid geëvalueerd. De uitkomsten van de evaluatie waren voor de provincies aanleiding hun subsidievoorwaarden bij te stellen. Sindsdien wordt bij het toekennen van subsidiemiddelen aan provinciale belangenorganisaties van patiënten/consumenten scherper gelet op doelmatigheid en effectiviteit van de besteedde middelen in relatie tot de bereikte resultaten. Als gevolg hiervan gingen de RPCP's op in nieuwe, provinciale Zorgbelangorganisaties. Begin 2008 hebben ook de laatste twee provincies, Noord-Holland en Zuid- Holland, de omslag gemaakt van (voorheen zes) RPCP's naar één Zorgbelang. Een deel van de provinciale subsidie waarmee Zorgbelangorganisaties worden gefinancierd, is geoormerkt voor de ondersteuning en facilitering van (provinciale) cliëntenplatforms of (regionale) basisberaden ggz. Deze regionale cliëntenorganisaties ggz, kortweg RCO's, treffen we in 26 van de 36 regio's waarin een regionale initiatiefgroep Lokale Versterking Wmo-GGz actief is. RCO's zijn te typeren als samenwerkingsverbanden van (vertegenwoordigers van organisaties van) mensen met een ggz-achtergrond die in hun regio opkomen voor de belangen en de positie van mensen met psychische problemen in zorg en samenleving. De meeste RCO's zijn zelfstandige organisaties. Hun namen variëren van Basisberaad, Zorgvragersorganisatie GGz en Gebruikersplatform GGz tot Cliëntencentrum, Cliëntenbelangen-bureau en GGz-Cliëntenplatform. De samenwerkingsintensiteit met Zorgbelang verschilt van regio tot regio. Een klein aantal RCO's maakt deel uit van Zorgbelang en noemt zich bijvoorbeeld Sectie GGz. Belangenbehartiging thuis- en daklozen, vrouwenopvang en (ex-)verslaafden Mensen die gebruikmaken van voorzieningen in de maatschappelijke opvang, de vrouwenopvang en de verslavingszorg willen betrokken worden bij de invulling van het Wmo-beleid in hun gemeente. Dat heeft het congres Niemand hoort de straat. De cliënt aan het woord op 10 januari 2008 laten zien. De ruim vierhonderd deelnemers, waarvan het overgrote deel mensen van de mo-vo- oggz-vz cliëntengroep zelf, gaven aan dat zij door de (centrum-)gemeenten meer betrokken willen worden bij het vormgeven van de Wmo-prestatievelden 7, 8 en 9. Een van de prioriteiten van het Programma Lokale Versterking is het faciliteren van vrouwen uit de vrouwenopvang, thuis- en daklozen en mensen met een verslaving(s-achtergrond) op zó'n wijze dat hun wensen, behoeften en voorkeuren daadwerkelijk worden meegenomen in de lokale en bovenlokale belangenbehartiging. Meerdere regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking ontplooien hiertoe gerichte activiteiten. De ervaringen in steden waar speciale straatadvocaten contacten onderhouden met verslaafden en thuis- en daklozen, kan als voorbeeld dienen voor andere regio's. Ook de komende jaren. 3.2 Waarom verder door? In beeld komen is één, in beeld blijven is twéé Met het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz wordt in het tijdsbestek van drie jaar een stevige impuls gegeven aan de formele en informele belangenbehartiging door burgers met psychische handicaps en hun naastbetrokkenen in de gemeente waar zij leven, wonen en deelnemen aan de samenleving. De gemeenten willen, zo is de indruk, graag in contact komen met mensen/ vertegenwoordigers van de ggz-vz-mo groepen. Gemeenten geven zelf aan weinig bekend te zijn met deze groepen. Hoewel met name de centrumgemeenten ervaring hebben met verslavingsbeleid en het opzetten van voorzieningen voor maatschappelijke en vrouwenopvang, weten ze niet goed hoe de cliënten van deze voorzieningen daar zelf tegenaan kijken en welke ideeën en voorkeuren er bij de cliënten zelf leven. Dit geldt in niet mindere mate als het gaat om inwoners met een psychische of psychiatrische problematiek. Ofschoon een deel van deze groep wel in beeld is bij bijvoorbeeld de gemeentelijke Sociale Diensten, WSW-voorzieningen en het Algemeen Maatschappelijk Werk, ligt de focus van deze dienstverlenende instanties niet op het ondersteunen van mensen bij het behouden of vergroten van hun zelfredzaamheid en het naar tevredenheid deelnemen aan de lokale samenleving. Voor dat laatste is veel meer nodig dan alleen ondersteuning bij werk en inkomen. Zoals gezegd: wethouders, ambtenaren en lokale politici laten zich over het algemeen graag informeren door inwoners die te maken hebben met langdurende psychische of psychiatrische problemen en hun naastbetrokkenen. De zesendertig regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking werken op dit moment hard aan het 'bijpraten' en 'bijscholen' van lokale bestuurders, beleidsambtenaren en gemeenteraadsleden. Middels beeldvormingsactiviteiten, rondetafelgesprekken, informele onderonsjes en gerichte voorlichting worden gemeentevertegenwoordigers gevoed met informatie en kennis die zij nodig hebben om het lokale ondersteuningsbeleid voor de PLV-groep vorm en inhoud te geven. Lokale belangenbehartigers participeren in toenemende mate in Wmo- adviesraden. Voor het uitwisselen van ervaringen en het voorbereiden van hun inbreng in de volgende vergadering, kunnen zij gebruik maken van de regionale initiatiefgroep, het regionaal deelnemersoverleg en/of de lokale klankbordgroep. Ook als het even tegenzit kunnen ze in deze groepen terugvallen op hun bondgenoten. Om nog beter hun werk te doen, worden middels trainings- en scholingsfaciliteiten vaardigheden verder ontwikkeld en de benodigde kennis en deskundigheid aangescherpt. Een verdere versterking is in het belang van iedereen De initiatieven en activiteiten die binnen het kader van het Programma Lokale Versterking door lokale en regionale belangenbehartigers en initiatiefnemers worden ontplooid, dragen merkbaar bij aan het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de ggz-vz-mo groep. Het solidariteitsgevoel met elkaar en met andere Wmo-cliëntengroepen groeit zienderogen. En gemeenten maken op een positieve manier kennis met mensen die ze tot voor kort niet goed kenden, maar wel binnen hun gemeentegrenzen leven, wonen en (willen) participeren. Dit proces van ontwikkeling en versterking op lokaal en bovenlokaal niveau is, met hulp en facilitering vanuit het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz, weliswaar goed op gang gekomen, maar heeft meer tijd nodig dan de drie jaar die voor het programma is uitgetrokken. De Wmo is er pas vijftien maanden. Het eerste jaar hebben gemeenten vooral gebruikt om de huishoudelijke verzorging goed te regelen. Nu dat (bijna) achter de rug is, zal de aandacht zich verplaatsen naar andere Wmo-terreinen. Indien de staatssecretaris er later dit jaar toe besluit delen van de AWBZ-functies activerende en ondersteunende begeleiding over te hevelen naar de Wmo, zal dat belangrijke gevolgen (kunnen) hebben voor een grote groep mensen. Met name ook voor diegenen die vanwege een psychiatrische aandoening moeite hebben om zich zelfstandig te redden en/of deel te nemen aan sociale en maatschappelijke activiteiten/ verbanden. Veel van hen maken gebruik van een PGB waarmee ze hun eigen begeleiding inkopen en die ze zelf kunnen kiezen. Mensen met een psychische kwetsbaarheid maken gebruik van geestelijke gezondheidszorg (de verslavingszorg inbegrepen) en maatschappelijke ondersteuning (MO- en VO-voorzieningen inbegrepen) die hun wettelijke basis vinden in een drietal ordeningsregimes: de AWBZ, de Zorgverzekeringswet en de Wmo. De herverkaveling binnen dit stelsel van zorg en maatschappelijke ondersteuning - die onder Balkenende III is ingezet en onder Balkenende IV z'n vervolg krijgt - en de (her-)positionering van patiënten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties als volwaardige partij in het krachtenveld van gemeenten, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, zorgkantoor, provincie en andere organisaties met een maatschappelijke opdracht (paragraaf 3.1), zijn voldoende reden om de opgebouwde, nog kwetsbare, lokale en regionale netwerken van ggz-vz-mo-vo belangenbehartigers ook na 2008 te blijven ondersteunen en faciliteren. Gemeenten en zorgverzekeraars hebben daar veel belang bij. Voor hen is het immers, zoals we eerder in dit hoofdstuk hebben gezien, van toenemende importantie om de preferenties van burgers resp. verzekerden goed te kennen. Cliënten van de GGz, de verslavingszorg, de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en andere maatschappelijke ondersteuningsvoorzieningen (mantelzorgondersteuning inbegrepen) willen hen daar graag bij van dienst zijn. 3.3 Wat is daarvoor nodig? Samen sterk Effectieve belangenbehartiging op lokaal en regionaal niveau vereist samenwerking tussen de RCO, cliëntenraden, cliëntgestuurde projecten en de regionale afdelingen van de lidorganisaties van het Landelijk Platform GGz. Samen vormen zij een krachtige 'partij' die zich richting derden kan profileren als dé regionale bundeling van mensen met psychische handicaps en hun direct-betrokkenen. In het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz wordt thans veel ervaring opgedaan met deze regionale samenwerkingsnetwerken. De regionale initiatiefgroepen streven immers naar een samenstelling die de volle breedte van de PLV-groep weerspiegelt. Daarnaast roept de tweede doelstelling van het programma op tot het komen van samenwerkingsinitiatieven met organisaties die de andere Wmo- cliëntengroepen vertegenwoordigen. Meer en beter Het is voor de ggz-vz-mo groep niet eenvoudig om in elk van de 443 gemeenten die Nederland rijk is, op ieder moment een even actieve bijdrage te leveren aan de formele beleidsparticipatie in casu de Wmo-adviesraad. Om ervoor te zorgen dat met name de kleinere gemeenten toch over voldoende informatie en kennis beschikken, is het van belang dat het hierboven beschreven regionale samenwerkingsnetwerk alert reageert op geconstateerde leemtes in de lokale belangenbehartiging en deze adequaat opvangt. Daarvoor is het nodig dat het samenwerkingsnetwerk, zijnde een platform van cliënten en familie in de regio, een beroep kan doen op een pool van mensen die, tijdelijk of wat langer, willen inspringen als dat nodig is. Het samenwerkingsverband ontwikkelt een flexibel trainingsaanbod waar mensen gratis gebruik van kunnen maken. Daarnaast organiseert zij regelmatig profileringsacties om gemeenten bij de les te houden wanneer stagnatie optreedt in de ontwikkeling en vormgeving van voorzieningen die mensen met een psychische kwetsbaarheid helpen bij het zelfstandig functioneren en het deelnemen aan de lokale samenleving. Kenniscirculatie Van een lokale belangenbehartiger kan onmogelijk worden verwacht dat zij of hij kennis heeft van alle psychische en psychiatrische ziektebeelden, laat staan de belemmeringen die een specifieke aandoening met zich mee kan brengen in het dagelijks functioneren en participeren. Een belangenbehartiger die als ouder ervaring heeft met het opvoeden, opgroeien en volwassen worden van een zoon of dochter met een ernstige gedrags- of psychiatrische problematiek, en thuis als mantelzorger optreedt voor de zoon of dochter die inmiddels de middelbare leeftijd heeft bereikt, zal naar alle waarschijnlijkheid niet eenzelfde betrokkenheid voelen met een thuis- of dakloze die gebruikt maakt van de maatschappelijke opvang. Omdat de (afzonderlijke deelnemers van de) ggz-vz-mo cliënten- en familiebeweging de aandacht, energie en beschikbare tijd moet(en) verdelen over vele voorhanden zijnde participatievormen waar een inbreng wordt verwacht van een 'ervaringsdeskundige', een 'vertegenwoordiger namens...' of een 'cliënt of ouder die mee kan praten en mee kan denken in een commissie die ...', vanwege deze schier oneindige hoeveelheid aan participatiemogelijkheden is het snel kunnen beschikken over heldere, toegankelijke en betrouwbare informatie zeer gewenst. Een landelijk kenniscentrum waarin alle belangwekkende kennis en informatie bijeen is gebracht en up to date wordt gehouden, kan voor belangenbehartigers, waar ook in het land, veel tijd- en energiewinst opleveren, energie die voor de meesten, zowel mentaal als lichamelijk, kostbaar is. Voldoende financiële middelen Om adequaat met de hierboven geschetste ontwikkelingen om te gaan en een noodzakelijk geachte infrastructuur in stand te houden, zijn financiële middelen onontbeerlijk. Feitelijk beschikken weinig of geen ggz- belangenorganisaties over een (semi-)structurele financiering. Het Landelijk Platform GGz is niet als koepel van belangenorganisaties erkend en zal in de toekomst afhankelijk zijn van projectfinanciering. Op regionaal niveau hebben RCO's soms provinciale, soms ook gemeentelijke financiering. Cliëntgestuurde voorzieningen hebben de grootst mogelijke moeite om onder het nieuwe wetgevingsregime hun hoofd boven water te houden. Het programma Lokale Versterking GGz loopt eind 2008 af. Kortom, als er na 2008 geen zicht op financiering komt, zal de op dit moment opgebouwde structuur van regionale initiatiefgroepen uiteenvallen. 3.4 Randvoorwaarden voor implementatie en borging Naast zicht op vervolgfinanciering zijn voor een succesvolle en zorgvuldige implementatie en borging van de bereikte programmaresultaten, waaronder de opgebouwde samenwerkingsnetwerken, expertise en ondersteuningsstructuur, de volgende voorwaarden van belang: Regionaal . De (organisatorische en financiële) borging van de opgebouwde regionale netwerkstructuur vindt in principe plaats bij die organisaties met wie nu reeds succesvolle samenwerking plaats heeft; . Dit zijn primaire organisaties die ervaring hebben in het bereiken, betrekken, binden en samenwerken met bij voorkeur alle te onderscheiden ggz-vz-mo groepen; . De organisaties die de ondersteuning en facilitering van de regionale initiatiefgroepen verder gaan oppakken dan wel continueren, streven voortdurend naar verbreding van het draagvlak en betrekken burgers in de volle breedte van deze Wmo-groep bij lokale Wmo-cliëntenparticipatie; . Schaalgrootte van waaruit participatie en belangenbehartiging ondersteund wordt, is minimaal regionaal of provinciaal, afhankelijk van aantal inwoners en bevolkingsdichtheid; . Een 'bottom-up' werkwijze dient als leidend concept in de uitvoering(saanpak) behouden te blijven; . Voor iedere regio toereikende financiering voor in ieder geval: o een (regionaal opererende) ondersteuner; o een toegankelijke werk- en ontmoetingsruimte met voldoende communicatiefaciliteiten; o het organiseren van (boven-)lokale bijeenkomsten t.b.v. uitwisseling, afstemming en kennis-overdracht tussen de in de regio actieve belangenbehartigers, deelnemers aan Wmo-adviesraden en hun achterbannetwerken; o deskundigheidsbevordering zoals cursussen, trainingen en het deelnemen aan algemene zowel als doelgroepspecifieke bovenregionale en landelijke studiedagen, conferenties, congressen enz; o reiskosten van vrijwilligers, met inbegrip van speciaal vervoer; o coaching en begeleiding van deelnemers aan Wmo-adviesraden; o het organiseren van profilerings- en beeldvormingsactiviteiten; o het organiseren van ontmoetingsactiviteiten met raadsleden, vertegenwoordigers van lokale politieke partijen, beleidsmedewerkers en wethouders t.b.v. kennismaking, kennisoverdracht, politieke en bestuurlijke lobby. Landelijk . Verdere opbouw en instandhouding van landelijke expertise is nodig ten behoeve van verbreding en voeding lokale Wmo-participatie; . Continuering uitwisseling en overdracht van ervaringen, informatie, ideeën, kennis, materialen en succesvolle initiatieven, zowel bovenregionaal als landelijk, zowel fysiek als digitaal (mede ten behoeve van het versterken van het 'wij-gevoel' en het zelfbewustzijn - empowerment); . Een systeem van (voortgangs)monitoring ten aanzien van Wmo- beleidsparticipatie en -belangenbehartiging door (vertegenwoordigers van) ggz-vz-mo groepen in alle 443 gemeenten; . Commitment landelijke en regionale cliënten- en familieorganisaties ggz- vz-mo, waaronder Landelijk Platform GGz, landelijke organisatie(s) van thuis- en daklozen en RCO's; . Commitment van (beoogde) financier(s). 4 Mogelijke borgingspartners In het vorige hoofdstuk hebben wij de toekomst verkend en aangegeven wat in algemene zin nodig is voor een succesvolle implementatie en borging. Daarmee zijn we aanbeland bij de vraag waar en hoe de inbedding/ borging van de programmaresultaten, zoals de opgebouwde regionale en lokale samenwerkingsnetwerken en de regionale en landelijke expertise en ondersteuningsinfrastructuur, het best kan plaatsvinden. Alvorens antwoord te geven op deze vraag, richten we ons vizier allereerst op de voorhanden zijnde potentiële borgingsactoren of borgingspartners. Dit zijn er in principe vijf, te weten: de gemeenten, het Landelijk Platform GGz, de RCO's, het programma VCP en de Zorgbelangorganisaties (Lokaal Centraal/ Lokaal Sterk). 4.1 Gemeenten Onderbrenging van de programmaresultaten op het niveau van de gemeenten heeft als voordeel dat lokale belangenbehartigers fysiek bij de gemeente in beeld zijn. De lijnen met beleidsambtenaren, bestuurders en politici zijn kort, waardoor aandachtspunten relatief snel met de verantwoordelijke wethouder(s) en ambtenaren kunnen worden doorgesproken. De gemeenten worden, als zij de ondersteuning van lokale belangenbehartigers en hun netwerken zelf financieren, op een directe manier aangesproken op haar ondersteuningsverantwoordlijkheid richting deelnemers van de Wmo-adviesraad en hun achterban (compensatieplicht), en raken sterker betrokken bij de ggz- vz-mo-vo groepen. De gemeente is weliswaar the place to be voor de lokale belangenbehartiger, maar heeft tegelijkertijd de vrijheid om de Wmo- cliëntenparticipatie te organiseren zoals ze zelf wil. Dit betekent dat voor iedere gemeente afzonderlijk de ondersteuning van belangenbehartigers en hun organisaties bevochten moet worden. Ook is het de vraag of de belangenbehartiging nog wel onafhankelijk kan plaatsvinden als de gemeente deze zelf financiert. Bovendien raakt de belangenbehartiging, ook regionaal gezien, zeer versnipperd. 4.2. Landelijk Platform GGz Het Landelijk Platform GGz en haar achttien lidorganisaties bestrijken met hun achterban een groot deel van de ggz-vz-mo-vo groep waar het Programma Lokale Versterking zich op richt, uitgezonderd de thuis- en daklozen (cliënten MO, VO en OGGz) en mensen met een verslavingsprobleem. Deze zijn tot op heden nog onvoldoende vertegenwoordigd in het Platform. Het Platform heeft inmiddels ervaring met het uitvoeren van kleine zowel als grote projecten. Knelpunten in de uitvoering van de Wmo kan het Platform gemakkelijk adresseren bij het ministerie, de landelijke politiek, collegaplatforms en brancheorganisaties waar het contacten heeft. De faciliteringsexpertise en ondersteuningsstructuur die het Platform gaandeweg het Programma Lokale Versterking heeft opgebouwd, zou relatief makkelijk kunnen worden gecontinueerd, mits daartoe voldoende middelen beschikbaar zijn. Het LPGGz kan de noodzakelijk geachte regionale samenwerkingsnetwerken, of platforms, van cliënten en familie (de huidige initiatiefgroepen Lokale Versterking) blijven ondersteunen en faciliteren, zoals ze dat nu doet middels de uitvoeringsorganisatie PLV. Lokale en regionale belangenbehartiging, en de ondersteuning daarvan, behoort echter niet tot de core-business van het Landelijk Platform GGz. Het Platform en haar lidorganisaties staan ver af van de lokale en regionale praktijk. Terwijl de regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking naarstig op zoek zijn naar uitbreiding en verbreding van hun regionale en lokale netwerk, conform de tweede doelstelling van PLV, kunnen landelijke cliënten- en familieorganisaties het idee hebben dat de initiatiefgroepen kostbare tijd en aandacht van hun leden willen afsnoepen. 4.3 Regionale cliëntenorganisaties ggz (RCO's) RCO's hebben ruime ervaring met het bereiken, binden en opleiden van mensen met psychische of psychiatrische problemen. Zij werken bottom-up. De schaal waarop RCO's opereren is de regio, de plek van waaruit zij werken is in bijna alle gevallen een (centrum)gemeente. De regio-indeling, op basis waarvan de RCO's zich hebben georganiseerd, is dezelfde als die van de zesendertig regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking. Hoewel een RCO in iedere regio weer anders is georganiseerd en ingevuld, is hun overeenkomst dat zij in hun regio opkomen voor de belangen van mensen met psychische, psychosociale, psychiatrische en/of verslavingsproblematiek op alle denkbare maatschappelijke terreinen. Dus niet alleen op het gebied van zorg, maar ook maatschappelijke ondersteuning, vrije tijd, wonen, sociale contacten, (vrijwilligers-)werk, inkomen en reïntegratie, onderwijs en dagbesteding. Zij vormen een platform waar iedereen uit de doelgroep aan mee kan doen en welkom is. RCO's organiseren allemaal een of meerdere soorten activiteiten die als doel hebben mensen met psychische problematiek de ruimte en de gelegenheid te geven met elkaar ervaringen en kennis uit te wisselen over onderwerpen die voor hen van belang zijn. De onderwerpen kunnen uiteenlopen van kwaliteit van zorg tot sociale (on)zekerheid, van bejegening door hulpverleners tot emancipatie en empowerment, van beeld(ver)vorming in de samenleving tot de waarde van familie- en buren-contacten, en van aangepast onderwijs tot de betekenis van ervaringsdeskundigheid en herstel. De uitkomsten worden meegenomen in de belangenbehartiging en beleidsbeïnvloeding richting overheden, zorg- en welzijnsorganisaties, maatschappelijke instellingen, en zorgverzekeraars en zorgkantoren. Stimuleringsprogramma's in de periode 1999-2004 hebben er toe bijgedragen dat RCO's zich steeds beter, breder en professioneler hebben kunnen organiseren. Enkele RCO's zijn in de loop der jaren uitgegroeid tot grote, breedgeöriënteerde (semi-)cliëntgestuurde organisaties met een rijke schakering aan activiteiten, projecten en participerende (doel)groepen. De meeste RCO's onderhouden goede contacten met de Zorgbelangorganisatie in de provincie waar ze actief zijn. Een nadeel is dat zij in het algemeen minder affiniteit en ervaring hebben met het bereiken en betrekken van naastbetrokkenen zoals familie of (andere) mantelzorgers. In enkele regio's kan de RCO niet rekenen op unanieme steun van ggz-vz-mo vertegenwoordigers en hun organisaties. Een groot voordeel is dat een tiental projectmedewerkers, die een initiatiefgroep Lokale Versterking ondersteunen, hun werkplek al hebben bij een RCO en/of gedetacheerd worden vanuit ene RCO. Enkele RCO's hebben al goede afspraken omtrent de inbedding van PLV-activiteiten in hun organisatie. Een aantal andere zijn daar mee bezig of zijn zich hierop aan het oriënteren. 4.4 Zorgbelangorganisaties De dertien Zorgbelangorganisaties (waartoe ook gerekend het APCP in Amsterdam, het Huis voor de Zorg in Limburg en Cliëntenbelang Utrecht) hebben de afgelopen twee jaar vanuit het programma Lokaal Centraal ervaring opgedaan met het ontwikkelen, ondersteunen en versterken van de lokale Wmo- cliëntenparticipatie. Het stimuleringsprogramma Lokaal Centraal (in Limburg Lokaal Sterk) van Zorgbelang Nederland richtte zich in het eerste uitvoeringsjaar vooral op het neerzetten van een lokale infrastructuur in casu de Wmo-adviesraden. Als logisch uitvloeisel hiervan, hebben de Zorgbelangorganisaties goede en waardevolle contacten opgebouwd met heel veel gemeenten. Zorgbelangorganisaties organiseren naast trainings- en cursusdagen, informatieve debatten waar iedereen aan mee kan doen. Dit is een tevens een goede manier om mensen te ontmoeten buiten de eigen ggz-vz- mo groep. Vijftien PLV-medewerkers hebben nu hun werkplek bij Zorgbelang. Enkele regionale initiatiefgroepen hebben al goede afspraken met de Zorgbelangorganisatie omtrent de inbedding van hun activiteiten. Een aantal andere zijn daar mee bezig of zijn zich hierop aan het oriënteren. Een belangrijk nadeel is echter dat Zorgbelangorganisaties relatief onbekend zijn met de bottom-up benadering als leidend concept bij hun dienstverlening. Het merendeel heeft weinig ervaring met het bereiken, binden en samenwerken met mensen uit de PLV-groep. Zij worden door professionals, al geldt dat niet voor iedereen, wel eens ervaren als moeilijk en lastig om mee samen te werken. Het grote aantal door Zorgbelang te bereiken en te vertegenwoordigen doelgroepen kan een belemmering zijn voor de tijd en aandacht die een Zorgbelangorganisatie kan, of wil, besteden aan (het ondersteunen van de belangenbehartiging door) de ggz-vz- mo groep. In enkele provincies wordt dit probleem ervaren als nijpend. Daarnaast ervaren nogal wat mensen met een psychische of psychiatrische problematiek de sterke, mondige, zelfbewuste en deskundige vertegenwoordiging van bijvoorbeeld de ouderenbonden en organisaties van chronisch zieken en gehandicapten in besturen en werkgroepen, als bedreigend. Dit kan de deelnamebereidheid van (mensen uit) de ggz-vz-mo groep soms ernstig belemmeren. 4.5 Programma Versterking CliëntPositie (VCP) Het programma VCP stimuleert op lokaal niveau de belangenbehartiging van mensen met een handicap of chronische ziekte. De grote inhoudelijke deskundigheid op het terrein van de Wmo(-wetgeving) en de jarenlange ervaring met lokale beleidsbeïnvloeding en belangenbehartiging, zou voor de doelgroep van het Programma Lokale Versterking een kwaliteitsslag kunnen betekenen ten aanzien van de inhoudelijke inbreng in het meehelpen vormgeven en beoordelen van de (uitvoering van de) gemeentelijke Wmo- beleidsplannen. De PLV-groep kan meeliften met de zelfbewuste en emancipatorisch sterk ontwikkelde wijze van opereren door de lokale belangenbehartigingsnetwerken van burgers met lichamelijke functiebeperkingen. Maar om dezelfde redenen die zijn genoemd ten aanzien van samenwerking met Zorgbelang, kan het gemakkelijk zo zijn dat deze voordelen bij nadere beschouwing al snel nadelen blijken. Goedbedoelde bijstand van mensen die het allemaal al/wel weten wordt over het algemeen niet als prettig ervaren. Het kan zelfs bedreigend zijn, en dus een belemmering om mee te (blijven) doen. Een voordeel is dat knelpunten in de lokale Wmo-uitvoering en -beleidsparticipatie door Wmo-cliëntengroepen kunnen gemakkelijk door zowel Zorgbelangorganisaties, RCO's als het programma VCP via de bekende, gangbare overlegkanalen worden geadresseerd bij de verantwoordelijke wethouder(s), beleidsambtenaren en/of de lokale politiek. Zij staan alledrie dichtbij de lokale en bovenlokale praktijk. 5 standpunt Landelijk Platform ggz 5.1 Inhoudelijke keuze Het Landelijk Platform GGz is van mening dat met het beëindigen van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz eind 2008, belangrijke programmaresultaten niet verloren mogen gaan. De winst die, op tweederde van de beschikbare programmatijd, is geboekt in het op de (boven-)lokale kaart zetten van (familie en andere mantelzorgers van) burgers met psychische beperkingen, een psychiatrische problematiek, een verslaving, gedrags- of ontwikkelingsproblemen, en van hen die thuis- of dakloos zijn, is broos en kan gemakkelijk weer verdampen. Om dat te voorkomen ziet het Landelijk Platform graag dat de in de regio's ontwikkelde samenwerkingsnetwerken (de regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking) geborgd gaan worden bij die organisaties waarmee de samenwerkingrelaties nu al goed georganiseerd zijn. Dat betekent dat niet gekozen wordt voor één blauwdruk, maar dat per regio bezien zal moeten worden wie de beste borgingspartner is. In de visie van het LPGGz worden de regionale initiatiefgroepen Lokale Versterking omgebouwd tot Regionale Netwerken GGz, die zowel de regionale en lokale belangenbehartiging op het gebied van de Wmo als op het terrein van de Zorgverzekeringswet gaan oppakken. Deze Regionale Netwerken GGz zijn, naar het voorbeeld van de regionale initiatiefgroepen, breed samengesteld; cliënten én familie en alle doelgroepen, dus inclusief verslaafden, dak- en thuislozen, vrouwenopvang, etc. Deze Regionale Netwerken GGz hebben een informele status en hebben zelf geen rechtspersoonlijkheid. Zij worden ondergebracht bij een organisatie die al heeft laten zien c.q. ervaring heeft met het ondersteunen en faciliteren van deze groepen. In de meeste gevallen zullen dat de RCO's zijn of de Zorgbelangorganisaties die bij Voice, de koepel van RCO's, zijn aangesloten. Regio's waar nu geen RCO actief is, maar wel een breed samengestelde initiatiefgroep aanwezig is, wordt geadviseerd 2008 te gebruiken om een eigenstandige RCO op te richten naar het voorbeeld van veel andere regio's. Doelmatigheidswinst kan behaald worden door per provincie één centraal punt te kiezen van waaruit de ondersteuning plaatsvindt van de aan de RCO's c.q. Zorgbelang gelieerde Regionale Netwerken GGz. Een Regionaal Netwerk GGz bestaat tenminste uit (vertegenwoordigers van) de RCO, cliëntenraden, cliënt- en familiegestuurde projecten en voorzieningen en regionale afdelingen van de lidorganisaties van het Landelijk Platform GGz. Samen vormen zij een krachtige partij die zich richting derden (gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren, zorgaanbieders enz.) kan profileren als dé regionale bundeling van mensen met psychische handicaps en hun directbetrokkenen. De Regionale Netwerken GGz streven voortdurend naar verbreding van het draagvlak en betrekken burgers in de volle breedte van de ggz-vz-mo-vo-oggz sector bij de lokale, bovenlokale en regionale belangenbehartiging. Moeilijk te binden groepen zoals thuis- en daklozen, vrouwen uit de vrouwenopvang en mantelzorgers hebben daarbij de specifieke aandacht. De regionale Netwerken GGz worden inhoudelijk ondersteund door een landelijk kenniscentrum dat aangehaakt blijft bij het Landelijk Platform GGz. Belangenbehartigers, waar ook in het land, willen snel kunnen beschikken over heldere, toegankelijke en betrouwbare up to date informatie. Het landelijk kenniscentrum bundelt, makelt en schakelt allerlei soorten kennis, informatie en expertise die de samenwerkingsnetwerken en hun deelnemers kan helpen bij het doelmatiger en effectiever inzetten van hun kostbare tijd. Verder continueert het kenniscentrum het systeem van (voortgangs)monitoring ten aanzien van Wmo-beleidsparticipatie en -belangenbehartiging door (vertegenwoordigers van) ggz-vz-mo groepen in alle 443 gemeenten. Tot slot, de zorg en maatschappelijke ondersteuning waar mensen met een psychische kwetsbaarheid (noodgedwongen) gebruik van maken, vinden hun wettelijke basis in een drietal ordenings- en financieringsregimes. Dit zijn de AWBZ, de Zorgverzekeringswet en de Wmo. Om te voorkomen dat mensen tussen de wal en het schip van de Wmo en Zorgverzekeringswet vallen, zien de lidorganisaties van het Landelijk Platform GGz graag dat de relatie tussen gemeenten en zorgverzekeraars verder wordt uitgewerkt. Het Landelijk Platform GGz ziet voor de gemeenten in het kader van de Wmo een taak weggelegd voor het mede financieren van de infrastructuur van regionale cliëntenorganisaties ggz en specifieke cliënt- en familiegestuurde voorzieningen. 5.2 Noodzakelijke financiële middelen Zoals hiervoor gesteld is er geld nodig om de noodzakelijk geachte infrastructuur in stand te houden c.q. verder om te bouwen naar Regionale Netwerken GGz. Feitelijk beschikken maar weinig ggz-belangenorganisaties over adequate (semi-)structurele financiering. Het programma Lokale Versterking GGz loopt eind 2008 af. Kortom, als er na 2008 geen zicht op financiering komt, zal de op dit moment opgebouwde structuur van regionale initiatiefgroepen uiteen vallen. Volgens het LPGGz is er per regio minimaal E 60.000,- euro (in totaal E 2.160.000,-) nodig om de noodzakelijke infrastructuur in stand te houden. Deze worden ingezet voor: . een (regionaal opererende) ondersteuner; . een toegankelijke werk- en ontmoetingsruimte met voldoende communicatiefaciliteiten; . het organiseren van (boven-)lokale bijeenkomsten t.b.v. uitwisseling, afstemming en kennis-overdracht tussen de in de regio actieve belangenbehartigers, deelnemers aan Wmo-adviesraden en hun achterbannetwerken; . deskundigheidsbevordering zoals cursussen, trainingen en het deelnemen aan algemene zowel als doelgroepspecifieke bovenregionale en landelijke studiedagen, conferenties, congressen enz; . reiskosten van vrijwilligers, met inbegrip van speciaal vervoer; . coaching en begeleiding van deelnemers aan Wmo-adviesraden; . het organiseren van profilerings- en beeldvormingsactiviteiten; . het organiseren van ontmoetingsactiviteiten met raadsleden, vertegenwoordigers van lokale politieke partijen, beleidsmedewerkers en wethouders t.b.v. kennismaking, kennisoverdracht, politieke en bestuurlijke lobby. Deze gelden zouden om versnippering te voorkomen op provinciaal niveau gebundeld kunnen worden en ondergebracht kunnen worden bij een nader te bepalen RCO per provincie. Voor het Landelijk Kenniscentrum is circa E 400.000,- nodig. Daarbij dient gedacht te worden aan een of meer kennisconsulenten, een communicatiemedewerker, een IT-medewerker (o.a. monitoring) en een administratief medewerker. 6 vervolgstappen 6.1 Stappenplan Het implementeren en onderbrengen van de resultaten van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz bij genoemde borgingspartners vraagt om een zorgvuldige besluitvormings- en borgingsroute. Nadat de ALV van het LPGGz deze notitie heeft vastgesteld zal hij worden besproken met alle bij de borging betrokken organisaties. Ondertussen zullen de regionaal projectleiders van het Programma gaan door met het inventariseren en actualiseren van de borgingswensen van de regionale initiatiefgroepen. De projectleiders bespreken met de projectmedewerkers in de regio de mogelijkheden betreffende hun toekomstige werkplek. Na de zomer vindt overleg plaats met de borgingspartner van eerste voorkeur, waarbij de twee partijen komen tot afspraken die moeten resulteren in: . zorgvuldige implementatie van de bereikte programmaresultaten; . onderbrenging van de regionale initiatiefgroep c.q. het Regionaal Netwerk GGz. Het is de bedoeling dat hiertoe convenanten worden afgesloten met de organisaties waar de regionale initiatiefgroep c.q. het netwerk wordt ondergebracht. In deze convenanten kunnen inhoudelijke, financiële en personeelstechnische afspraken worden gemaakt. 6.2 Tijdpad Mei 2008 Bespreking door 'externe' begeleidingscommissie Fonds PGO. Bespreking met potentiële financiers o.a. het Ministerie van VWS. Mei-Juni 2008 Actualiseren borgingswensen initiatiefgroepen. Inrichten projectgroep 'Regionale Borging' samen met Voice. Opstellen borgingsplan per regio. Sep.-Okt. 2008 Overleg met borgingspartner eerste voorkeur. Sluiten van convenant met organisatie waar het Regionale Netwerk GGz wordt ondergebracht. Opstellen werkplannen 2009 (eventueel en verder). Okt.-Dec. 2008 Voorbereiding implementatie en borging. Regionale initiatiefgroep wordt Regionaal Netwerk GGz. Begeleiding eventuele overgang projectmedewerker naar andere organisatie. Januari 2009 Officiële overdracht (incl. overgebleven financiële middelen 2006 en 2007 naar borgingspartner). Jan-Maart 2009 Nazorg en heroriëntatie Landelijk Servicecentrum. Bij voldoende middelen ombouw naar kenniscentrum. Juni 2009 Afronding overdracht, afrekening subsidies Fonds PGO. bijlagen I. Lijst van afkortingen[4] AB Activerende Begeleiding ADHD Attention-Deficit/ Hyperactivity Disorder AMW Algemeen Maatschappelijk Werk APCP Amsterdams Patiënten/Consumenten Platform ASS Autisme-SpectrumStoornis AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten B&W (College van) Burgemeester en Wethouders BJZ Bureau JeugdZorg BRC BovenRegionale Conferentie CBB CliëntenBelangenBureau CCL CliëntenCentrum Limburg CCR Centrale CliëntenRaad CG-raad Chronisch zieken en Gehandicaptenraad CGP/ CGV CliëntGestuurd Project/ CliëntGestuurde Voorziening CJG Centrum voor Jeugd en Gezin DAC DagActiviteitenCentrum DVD Digital Video Disk DWO Delft, Westland, Oostland GGD Gemeenschappelijke/ Gemeentelijke Gezondheidsdienst (O)GGz (Openbare) Geestelijke Gezondheidszorg HEE Herstel, Empowerment en Ervaringsdeskundigheid HH/ HV Huishoudelijke Hulp/ Huishoudelijke Verzorging HOZ HerstelOndersteunende Zorg HvdZ Huis voor de Zorg I-groep Initiatiefgroep Lokale Versterking Wmo-GGz IPO InterProvinciaal Overlegorgaan KAM Kennemerland, Amstelland en Meerlanden Lfos Landelijke federatie van ongebonden schilvoorzieningen LPGGz (Vereniging) Landelijk Platform GGz LPR Landelijke Patiënten- en bewonersRaad LSOVD Landelijke Stichting Ouders Van Drugverslaafden LVT Landelijke Vereniging van Thuislozen MO Maatschappelijke Opvang MSS Maatschappelijk SteunSysteem MYG MYstery Guest NHN Noord-Holland Noord NML Noord- en Midden-Limburg NPCF Nederlandse Patiënten- en ConsumentenFederatie NVA Nederlandse Vereniging voor Autisme OB Ondersteunende Begeleiding OCW (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen PDD-nos Pervasive Developmental Disorder-not otherwise specified PGB/ PVB PersoonsGebonden Budget/ PersoonsVolgend Budget (Fonds) PGO (Fonds) Patiënten-, Gehandicapten en Ouderenorganisaties PLV Programma Lokale Versterking Wmo-GGz PR Public Relations PVT PersoneelsVerTegenwoordiging RCO Regionale CliëntenOrganisatie ggz RPCP Regionaal Patiënten/Consumenten Platform RVZ Raad voor de Volksgezondheid en Zorg SCP Sociaal-Cultureel Planbureau SGBO (Onderzoeksinstituut van de VNG) SLKF Stichting Landelijke Koepel van Familieraden in de GGz STIP Steun- en InformatiePunt SZW (Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ti Trimbos-instituut TK Tweede Kamer (der Staten Generaal) VCP (programma) Versterking CliëntPositie VJI Verwey-Jonker Instituut VMDB Vereniging voor Manisch-Depressieven en Betrokkenen VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten VO Vrouwenopvang V&V Verpleging en Verzorging VVE Vereniging Van Ervaringswerkers VWS (Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport Vz Verslavingszorg WIA Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning WSW Wet Sociale Werkvoorziening WvdP Week van de Psychiatrie Wvg Wet voorzieningen gehandicapten WWB Wet Werk en Bijstand WWZ Wonen Welzijn Zorg WWI (Programmaministerie van) Wonen, Wijken, Integratie ZB ZorgBelang ZOG ZorgvragersOrganisatie GGz Midden-Holland ZVP (AWBZ-subsidieregeling) ZorgVernieuwingsProjecten GGz ZVW ZorgVerzekeringsWet II. Overzicht regionale initiatiefgroepen met huidige werk- en samenwerkingsrelaties |Pro|Regio |Werk- |Samen- |RCO |Borgings| |vin| |relatie |werkings-|aanwezi|- | | | | | |g |voorkeur| |cie| | |relatie |? | | |GR |WestNoordCentr-Groning|ZB |ZB+RCO |ja |ZB | | |en | | | | | | |Oost-Groningen |T+ZB |ZB |- |ZB | |FR |Friesland |T+ZB |ZB+RCO |ja |ZB/RCO? | |DR |Drenthe |T |RCO+ZB |ja |RCO | |OV |IJssel/Vecht |T |ZB+Cr+Fa |- |RCO | | |Twente |RCO |RCO+ZB |ja |RCO | |FL |Flevoland |T |Cv(+ZB) |- |RCO | |GL |Noordwest-Veluwe |T |Cr |- |RCO | | |Oost-Veluwe/Stedendrie|Cv |Cv+ZB |- |? | | |hoek | | | | | | |West-Veluwevallei/Rijn|ZB |ZB+RCO |ja |ZB | | |IJssel | | | | | | |Oost-Gelderland |RCO |RCO+ZA |ja |RCO | | |Zuid-Gelderland |RCO |RCO |ja |RCO | | |Rivierenland |T |ZB+ZA |- |? | |UT |Utrecht-MiddenWest |CB |RCO+Cv |ja |CB | | |Utrecht-Oost |T+CB |RCO+Cv |ja |CB | |NH |NoordHolland-Noord |RCO |RCO |ja |RCO | | |West-Friesland |RCO |RCO |ja |RCO | | |Zaanstreek en |T+ZA |Fa+ZA |- |RCO | | |Waterland | | | | | | |Amsterdam |APCP+RCO |APCP |ja/- |APCP+PF | | |KennemerAmstelMeerland|ZB |RCO |ja |RCO | | |en | | | | | | |Gooi en Vechtstreek |T+ZB |RCO+ZB |ja |RCO | |ZH |ZuidHolland-Noord |T |RCO+ZB |ja |RCO | | |Midden-Holland |RCO |RCO |ja |RCO | | |Den Haag e.o. |RCO |RCO |ja |RCO | | |DelftWestlandOostland |ZB |ZB |- |ZB | | |Rotterdam |RCO-b |RCO-b |ja |RCO-b | | |NieuweWaterweg-Noord |RCO-b |RCO-b |ja |RCO-b | | |Zuidhollandse eilanden|T |RCO-b+Fa |ja |RCO-b | | |ZuidHolland-ZO/Drechts|T |RCO |ja |RCO | | |teden | | | | | |ZE |Zeeland |ZB |ZB |- |ZB | |NB |West-Brabant |ZB |ZB |- |? | | |Midden-Brabant |ZB |RCO |ja |RCO | | |Noordoost-Brabant |T+Cv |Cv+ZB |ja |Cv | | |Zuidoost-Brabant |ZB+T |RCO |ja |ZB/RCO? | |LB |Noord- en |ZA+T |RCO |ja |? | | |Midden-Limburg | | | | | | |Zuid-Limburg |HvdZ |RCO+ZB |ja |RCO | |12 |36 initiatiefgroepen | | | | | APCP Amsterdams Patiënten/Consumenten Platform CB CliëntenBelang Cr Cliëntenraad/-raden zorginstelling(en) Cv Cliëntgestuurde voorziening Fa Familieorganisaties HvdZ Huis voor de Zorg RCO Regionale Cliëntenorganisatie ggz RCO-b Basisberaad Rijnmond T Thuis ZA Zorgaanbieder ZB ZorgBelang - nee ----------------------- [1] Tot de PLV-doelgroep behoren, in willekeurige volgorde en met hantering van de meest gangbare aanduidingen: ( mensen met verslavingsproblemen/ een verslaving(sachtergrond) ('cliënten verslavingszorg'), ( mensen die thuis- of dakloos zijn ('gebruikers maatschappelijke opvang'), ( gebruikers van vrouwenopvang ('gebruikers vo'), ( naastbetrokkenen en mantelzorgers (familie, buren, vrienden of andere vrijwilligers), ( mensen met gedrags-, leer- en/of ontwikkelingsproblemen (denk aan autisme, adhd, pdd-nos etc.), en ( mensen met psychische, psychosociale en/of psychiatrische problemen/ problematiek, kwetsbaarheid, beperking(en) of handicaps ('cliënten geestelijke gezondheidszorg'). Het betreft zowel kinderen, jeugdigen, (jong-)volwassene???????n als ouderen, autochtoon zowel als allochtoon. De PLV-doelgroep wordt in deze notitie ook wel aangeduid met 'ggz-vz-mo groep'. [2] Voor veel mensen is het hebben van geestelijke gezondheidsproblemen een tijdelijke kwestie. Zij ondervinden als gevolg van hun psychische gezondheidssituatie slechts gedurende een of enkele periodes in hun leven beperkingen of belemmeringen in hun persoonlijk, sociaal en/of maatschappelijk functioneren. Daarnaast zijn er mensen voor wie psychische en/of psychosociale functiebeperkingen blijvend, chronisch zijn. Voor deze burgers is het begrip psychische beperking(en) of psychische handicap(s) van toepassing. Zij hebben naast ggz-, vz- of mo-voorzieningen ook algemene voorzieningen op een bijzondere manier nodig. In deze notitie wordt met enige regelmaat de term 'mensen met een psychische handicap' gebruikt. De lezer wordt erop geattendeerd dat hiermee -vervat in een eenvoudig te hanteren term- álle mensen worden bedoeld die bij voetnoot i worden genoemd als behorend tot de doelgroep van het Programma Lokale Versterking Wmo-GGz. De term 'psychische handicap' wordt niet door iedereen gewaardeerd. Gebruik in dat geval de woordkeuze/ terminologie die de voorkeur heeft. [3] Nederland telde op 1 januari 2008 443 gemeenten. Als gevolg van enkele gemeentelijke herindelingen in het eerste kwartaal van 2008 zijn dit er inmiddels minder. [4] Niet alle hiergenoemde afkortingen worden in de tekst gebruikt, de meeste wel.